-

Zo houd je je oude paard fit!

oud paard Lonneke Ruesink

Heb jij een ouder paard? Dan wil je hem natuurlijk graag een fijne oude dag geven. Om goed voor een seniorpaard te zorgen en hem in goede conditie te houden, heb je wel kennis nodig van waar je op moet letten en wanneer je moet ingrijpen.  

De leeftijd waarop een paard tot de senioren behoort, is niet voor elk paard gelijk. Het is dus niet zo dat paarden die ouder zijn dan achttien jaar per definitie senioren zijn en dus een aangepast rantsoen nodig hebben. Dat er veranderingen plaatsvinden in de stofwisseling en de vertering bij veroudering is duidelijk. Het moment waarop dit van zodanige aard is dat het paard daarin ondersteuning nodig heeft verschilt echter nogal.

Bij het voeren van een seniorpaard zijn best wat fouten te maken. Je kunt hem bijvoorbeeld te veel voer geven, verkeerd voer geven of te laat zijn om extra voer te geven. Maar ben je oplettend en anticipeer je op het juiste moment, dan zal dit zeker bijdragen aan een gezondere oude dag voor je viervoeter. Blijf in eerste instantie gewoon voeren en trainen zoals je gewend bent, maar wees wel alert op veranderingen. Leer naar je paard kijken om veranderingen te zien en leer vervolgens wat die veranderingen betekenen en hoe en wanneer je moet ingrijpen.

Gebitsklachten

Veel paarden krijgen vanaf 25 jaar zodanige gebitsklachten dat dit het efficiënt kauwen belemmert. Gebitsklachten kunnen verschillend zijn, maar het gevolg is dat het voer minder goed verteerd wordt. Dit betekent dat het paard minder voedingsstoffen uit het voer kan halen. Als hij meer voer op kan eten, dan zorgt dit nog niet direct voor problemen. Maar op den duur gaat dit paard toch vermageren. 

Mestveranderingen

Doordat het gebit minder functioneert, blijven de vezels van het voer langer. Deze langere vezels zijn niet goed in de darmen af te breken. Ook niet door de darmflora in de blinde- en dikke darm. De mest zal dus langere vezels bevatten. Daardoor kunnen er minder goed mooie mestballen gevormd worden. De langere vezels hebben ook een verandering in het fermentatieproces tot gevolg. Zo kan de mest dunner worden of kan het paard gaan mestwateren, wat betekent dat na de mestballen nog een scheut water komt. Veranderingen in de mest zijn altijd een signaal om het paard en het rantsoen eens goed onder de loep te nemen. De oorzaak kan variëren van een gebitsprobleem tot een verkeerde kwaliteit ruwvoer of een infectie in het maag-darmkanaal. Op basis van het onderzoek kan je geschikte maatregelen nemen.

PPID

Bij toenemende leeftijd stijgt het aantal paarden met PPID (Pituitary Pars Intermedia Dysfunction). Dit is een aandoening van de stofwisseling, of mogelijk ook een gevolg van veroudering en slijtage. PPID leidt tot verandering in energieverbruik en -opslag en tot vermagering (dus ook met een goed gebit). Afwijkende gehalten van cortisol, met als gevolg insulineresistentie, gooien de energiestofwisseling door de war. Een medicijn kan deze veranderingen, in ieder geval tijdelijk, onderdrukken, maar het geneest het paard niet. Insulineresistentie kan leiden tot hoefbevangenheid. Niet elk paard met PPID en insulineresistentie krijgt hoefbevangenheid, maar het risico stijgt wel. 

Oudere, magere paarden kun je niet zomaar alles voorzetten om ze weer dik te laten worden. Het gebit moet het goed kunnen verwerken of het paard moet het kunnen verteren zonder dat het fijngekauwd is. Daarbij mag het voer niet te veel zetmeel en suikers bevatten, omdat dit mogelijk leidt tot hoefbevangenheid.

Signalen waarnemen

Het mag duidelijk zijn dat een goede controle van een seniorpaard veel ellende voorkomt. Want voordat je paard vermagert, kun je al in de gaten hebben dat het gebit mankementen vertoont. Dat doe je door een dierenarts regelmatig het gebit te laten controleren en door zelf je paard goed te observeren. Gaat hij langzamer eten? Laat hij weleens voer uit zijn mond vallen? Maakt hij misschien duidelijke proppen van het voer? Of kauwt hij meer met zijn mond open? Dat zijn allemaal signalen die je tot actie moeten roepen. Daarnaast kun je ook veranderingen in de mest zien. Is de mest anders van structuur, natter of juist droger? Neem alle veranderingen serieus. 

Doe je geen regelmatige controle van de conditie van je paard, dan kan een verandering in het gewicht pas in het oog springen als er duidelijke zichtbare kenmerken zijn. Bij vermagering zie je meer botstructuren zoals de ribben, de rugwervels en het bekken. Op dat moment heeft het paard niet alleen veel vetweefsel verloren, maar ook veel spierweefsel, die normaal gesproken bijdragen aan de vorm van het paard. Bij paarden met PPID kan dit soms wel verwarrend zijn, omdat vetophopingen naast vermagering kunnen voorkomen. Zoals een dikke harde nek, of vetkwabbels onder de huid. Controleer je de Body Condition Score elke maand, dan vallen kleine veranderingen op. Zo kun je tijdig ingrijpen om te proberen verergering van vet- en eiwitverlies te voorkomen.

Blijf bewegen

Verlies van spierweefsel bij senioren is veelal definitief. Herstel is niet goed mogelijk, ook niet met een goed rantsoen. Om de bespiering zo lang mogelijk te behouden moeten seniorpaarden een rantsoen krijgen met voldoende verteerbare energie en een goede kwaliteit eiwit. Én moeten ze vooral ook in beweging blijven om de spiervezels te stimuleren. Nu is beweging ook uitermate gunstig om de gevoeligheid voor insuline te verbeteren, oftewel insulineresistentie te beperken, dus het mes snijdt aan twee kanten.

Fijne kwaliteit ruwvoer

In de winter komt vermagering bij oudere paarden veel vaker voor dan in de zomer. Het gras levert veel makkelijk verteerbare energie en eiwit, waardoor ze nog goed op gewicht kunnen blijven of weer kunnen aansterken als ze mager uit de winter komen. In de winter is het voer minder goed verteerbaar. Hooi is vezelrijker dan gras en vergt meer kauwactiviteit om dit goed te verkleinen. Er is overigens wel verschil tussen hooi dat laat is gemaaid en dus erg langstengelig is of jong gemaaid gras, dat een zachte en fijne kwaliteit hooi oplevert. Deze laatste soort kan voor seniorpaarden beter zijn in de winter. Kuilvoer is eventueel ook te gebruiken, mits je zeker bent van de kwaliteit en van het feit dat je paard geen diastasen heeft. Diastasen zijn ruimten tussen kiezen. Wat vochtiger en zuurder kuilvoer is berucht om daartussen te gaan zitten en dan ontstaat daar een infectie van het tandvlees. Kuilvoer of ingepakt hooi kan ook beschimmeld zijn of worden (na openen) en is dan zeker niet geschikt. Ook hooi kan natuurlijk niet goed zijn van kwaliteit. Als het hooi beschimmeld of stoffig is, geeft dat verterings- of luchtwegklachten bij paarden. Maar hooi is voor de afbraak in de dikke darm vaak net iets geschikter voor de senior. Bij senioren die ook insulineresistentie hebben, moet je wel letten op het suikergehalte in het hooi. Juist fijn en zacht hooi kan suikerrijk zijn. Laat het voer analyseren om geen onnodige risico’s te lopen. Is het hooi te suikerrijk, dan kan in water weken wat helpen.

Om een seniorpaard met vermindering van kauwmogelijkheden te ondersteunen, kies je een goede kwaliteit hooi en geef je daar veel van. Is dat genoeg om op gewicht te blijven dan kan krachtvoer zelfs achterwege gelaten worden. Denk wel aan een goed mineralen- en vitaminesupplement. 

Voeraanpassing

Gaat het kauwen slechter, maakt je paard proppen of zie je veranderingen in de mestkwaliteit, dan is meer nodig dan alleen een fijne kwaliteit ruwvoer. Meer ruwvoer voeren heeft dan ook geen zin, en kan zelfs tot verteringsklachten leiden. De hoeveelheid hooi moet verminderd worden en aangevuld met een ander makkelijk verteerbaar, vezelrijk voer. In dat vezelrijke voer kunnen andere ingrediënten opgenomen worden die het paard en de vertering ondersteunen, speciale vezelsoorten of probiotica. Niet alle soorten seniorvoeders zijn gelijk. Ze verschillen in gebruikte ingrediënten en gehalten. Het is afhankelijk van de toestand van de senior welk soort voor jouw paard het meest geschikt is. Heeft je paard bijvoorbeeld insulineresistentie, dan mag het voer niet te veel suikers bevatten. Je kunt ook zelf een samenstelling maken met bietenpulp, luzerne of zemelen. Daar is wel een rantsoenberekening voor nodig, omdat je anders nooit zeker weet of je paard wel voldoende of misschien juist te veel voedingsstoffen binnenkrijgt. Het aanpassen van het rantsoen kan een puzzel zijn en zal je gedurende de vordering der jaren telkens moeten bijstellen. Doe dit altijd in samenspraak met een dierenarts en een voedingsadviseur.

Heb jij een leuk oudje op stal staan? Doe dan mee aan de verkiezing Het Leukste Oude Paard van Nederland!

Meer weten over goede voeding voor je paard? Ga snel naar Paardenvoerplein.nl!

Auteur: dr. Anneke Hallebeek

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant