
Lateroflexie op de volte
Op de kleine volte op het midden wordt het probleem concreet. Debbie voelt het meteen: “Hij wil niet helemaal buigen in zijn ribbenkast en loopt over de schouder weg.” Karin vertaalt dat naar biomechanica: “Dus dat betekent dat zijn achterhand nog wat aan de binnenkant is.” De oplossing: de achterhand overdreven naar buiten plaatsen. “Dat is een hele mooie oefening om de lateroflexie, dus de zijdelingse buiging, te verbeteren en daardoor de onderlijn te sluiten en het gewicht meer op achter te brengen.” Terwijl Debbie dit uitvoert, begeleidt Karin nauwkeurig: “Je binnenschouder iets laten zakken en je binnenheup naar achter.” Het effect laat niet lang op zich wachten. “Hij gaat al mooi op het buitenachterbeen staan,” ziet Karin. Debbie voelt het ook: meer draagkracht, meer vering. Karin vat samen wat er gebeurt: “Door de achterhand wat naar buiten te zetten, gaat hij langer dragen op het buitenachterbeen, waardoor hij zich meteen meer gaat verzamelen. Maar het neusje blijft wel lichtjes voor de loodlijn, zodat hij niet in de lage hals en het voorste deel van de rug gaat zakken.”
Wijken vanuit de ribbenkast
Vanuit de volte vraagt Karin Debbie om naar de hoefslag te wijken: “Laat je binnenschouder maar zakken, waardoor je druk zet op je binnenzitbeenknobbel, je binnenbovenbeen en het bovenste deel van je onderbeen. Dan kun je zijn ribbenkast verder mee naar buiten nemen.” Ze vraagt Debbie om het ritme te voelen: “Je voelt wanneer de ribbenkast naar binnen en naar buiten gaat, hè?” Met kleine aanpassingen – buitenbeen iets naar achter, binnenhand naar voren – ontstaat er meer balans. “Wijk maar naar de hoefslag toe. Vanuit de ribbenkast.” Na afloop checkt Karin het gevoel bij Debbie. “Hij heeft nu meer vering in zijn beweging gekregen en iets meer verzameling”, merkt zij op. “Hij wil alleen nog een beetje kantelen en een curve maken in zijn hals.”

