Afbeelding

Gevorderde zijgangen

In deel 4 van deze serie over academische rijkunst duiken we met Kenneth Vansweevelt dieper in het rijkunstige werk met zijgangen. Kenneth laat zien dat zijgangen niet zomaar ‘moeten’ omdat ze in de proeven gevraagd worden, maar een waardevol onderdeel vormen van de fysieke training van het paard. Mits correct uitgevoerd, natuurlijk. Want het verschil tussen ‘zijwaarts rijden’ en echt trainen in zijgangen is groot.

Tekst, foto en video: Sabine Timman

“Een zijgang is geen kunstje”, stelt Kenneth. “Het is een oefening die tot doel heeft om één specifiek achterbeen sterker te maken. We gebruiken zijgangen als calisthenics voor paarden: krachttraining met het eigen lichaamsgewicht.”

Functionele krachttraining

Kenneth legt uit dat elk paard van nature scheef is. Die scheefheid komt voort uit bouw, voorkeur en spiergebruik, en heeft effect op de manier waarop het paard beweegt. “Het ene paard is bijvoorbeeld rechtsgebogen, het andere linksgebogen. Daardoor ontstaat ook verschil in kracht tussen het linker- en rechterachterbeen. Met zijgangen kunnen we dat gericht trainen.” In oefeningen als schouderbinnenwaarts wordt het binnenachterbeen extra belast doordat het onder het zwaartepunt van het paard wordt geplaatst. Dit vraagt om kracht, balans en coördinatie. “Je plaatst als het ware het voorbeen en achterbeen in een andere lijn, waardoor het binnenachterbeen meer gewicht moet dragen. Dat been ontwikkelt zo kracht en stabiliteit, en dat is nodig voor de latere oefeningen in verzameling.”

Vier achterbenen?

Opvallend in Kenneths uitleg is zijn stelling dat een paard ‘vier achterbenen’ heeft. “Dat klinkt gek,

maar het klopt wel. Als het rechterachterbeen links is van de buiging, fungeert het als buitenachterbeen. Maar in rechterbuiging is datzelfde been ineens het binnenachterbeen. De functie, spiergroepen en belasting veranderen dus per kant en per oefening.
Daarom is het belangrijk dat we in de training alle vier de combinaties – linksbinnen, rechtsbinnen, linksbuiten, rechtsbuiten – meenemen. Wie denkt dat je het linkerachterbeen traint in travers links, en het rechterachterbeen in travers rechts, is te kort door de bocht. De functie van een been in binnen- of buitenpositie is fundamenteel anders.”

Wijken niet als startpunt

Een veelgemaakte denkfout is dat wijken een goede eerste zijgang zou zijn. “Maar een wijkende beweging is fundamenteel anders dan een zijgang”, legt Kenneth uit. “In een zijgang draait de binnenheup van het paard voorwaarts onder het lichaam en wordt het binnenachterbeen dragend. Bij wijken blijft die heup juist naar achteren staan en is de beweging voornamelijk stuwend. Wijken mist ook de belangrijke elementen van stelling en buiging, terwijl die essentieel zijn om een paard symmetrisch en krachtig te trainen. Daarom beginnen we liever met schouderbinnenwaarts: dat geeft ons controle over balans, richting en draagkracht.”


Schouderbinnenwaarts: de aspirine van de dressuur

De eerste zijgang die Kenneth bespreekt, is schouderbinnenwaarts. Deze wordt vaak als eerste aangeleerd in de rijkunstige opleiding van het paard. In deze oefening wordt het binnenachterbeen onder het lichaam geplaatst, waardoor het meer gewicht moet dragen. “Op het moment dat je de schouder iets naar binnen plaatst ten opzichte van de achterhand, creëer je een hoek tussen de voor- en achterbenen. Die hoek bepaalt hoeveel belasting er op het binnenachterbeen komt. Hoe schuiner de gang, hoe zwaarder de oefening. Ik maak daarbij onderscheid tussen een drie- en viersporige schouderbinnenwaarts. Drie sporen is vaak voldoende. Vier sporen kan alleen als het paard genoeg kracht heeft om dat correct uit te voeren. Anders gaat het paard wijken in plaats van zijgangen lopen. Belangrijk is dat het buitenvoorbeen gelift kan worden. Dat is je check: als het binnenachterbeen écht draagt, komt het buitenvoorbeen vrij. Als het paard stuwt, zie je dat terug in een vallende schouder.”

Travers: andere belasting, andere moeilijkheden

De travers is een gevorderde zijgang waarin de achterhand naar binnen wordt geplaatst, terwijl het paard in stelling en buiging blijft. “In de travers verplaatsen we de belasting naar het buitenachterbeen. Dat is meteen lastiger, want het paard moet naar binnen gebogen blijven, terwijl het buitenachterbeen het gewicht draagt. Veel paarden verliezen dan hun buiging, worden recht of gaan op het buitenvoorbeen hangen.” Kenneth laat zien hoe je in de travers kunt controleren of het buitenachterbeen echt draagt: “Het binnenvoorbeen moet vrij blijven en gelift worden. Als het paard op het buitenvoorbeen gaat hangen, krijg je een blokkade aan de voorkant en verlies je de werking van de achterhand. Travers vraagt ook veel van de rotatiecapaciteit van het paard. Een correcte buiging betekent dat het paard lichtjes naar binnen roteert in zijn lijf. In de travers zie je vaak dat die rotatie naar buiten draait. Dan zit je als ruiter ineens zwaarder op je buitenzitbeen en voelt het paard ‘uit balans’. Dat wil je voorkomen. Travers vraagt in de basis meer kracht en coördinatie dan schouderbinnenwaarts. Daarom bouw je dit pas op als de schouderbinnenwaarts goed bevestigd is. Je begint op de hoefslag met lichte buiging en gaat steeds verder vragen. Let erop dat je hulpen subtiel blijven: hoe minder je doet, hoe beter het paard leert zelf te dragen.”

Schuinheid, sporen en lijn

Bij alle zijgangen kijkt Kenneth naar de sporen – de hoefafdrukken van elk been. “Drie sporen betekent dat twee benen hetzelfde spoor volgen. Vier sporen betekent dat elk been een eigen lijn loopt. Hoe schuiner de zijgang, hoe moeilijker het wordt voor het paard om zijn balans te behouden.” Daarom begint Kenneth met het aanleren van schouderbinnenwaarts op een cirkel. “Een schouderbinnenwaarts op de cirkel vraagt het paard te bewegen met de stelling en buiging in dezelfde vorm als de lijn die we nemen. Daardoor houd je de buitenschouder makkelijker onder controle en dus het gewicht op de achterhand. Op het moment dat we op een rechte lijn gaan, moet het paard zijn stelling en buiging aanhouden en toch rechtuit bewegen. Dat is vaak een grotere moeilijkheidsgradatie in verhouding met de cirkel versus de rechte lijn.

Fouten voorkomen

Volgens Kenneth is het essentieel om bij zijgangen niet alleen te kijken naar het beeld, maar vooral te voelen wat er in het lijf gebeurt. “Een paard dat op drie of vier sporen loopt, kan technisch ‘correct’ lijken, maar als je voelt dat het voorbeen zwaarder wordt, dan is het achterbeen niet dragend. De juiste zijgang herken je aan lichtheid in de voorkant en activiteit in het achterbeen.”

Fouten die vaak voorkomen zijn:
* het verliezen van stelling en buiging;
* overvragen van een onvoorbereid paard
(te schuine lijn, te veel druk;
* rijden vanuit de hand in plaats van het achterbeen;
  stuwen in plaats van dragen.

"Bouw het op vanuit het gemak. Iedere zijgang moet starten vanuit ontspanning, dan pas kun je een been gaan belasten."

Kenneth legt uit:
Drie sporen
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Bij een zijgang gaat mijn rechterheup naar voren draaien
Afbeelding
Kenneth legt uit:
Zijgang: binnenheup moet voorwaarts komen om binnenachterbeen onder te laten treden
Afbeelding
Afbeelding