-

Belgisch trekpaard & Ardens trekpaard

Ardens trekpaard Arnd Bronkhorst

Het Belgisch trekpaard en het Ardens trekpaard worden vaak voor hetzelfde ras aangezien. Toch is dat helemaal niet het geval en heeft ieder ras zijn eigen stamboek. Trekpaardspecialisten Ann Muys en Ides Versyck leggen de verschillen en overeenkomsten uit.

België is tegenwoordig een van de topleveranciers van springpaarden. Maar wist je dat het land al in 1800 toonaangevend was in de paardenfokkerij? Namelijk met trekpaarden. Er zijn in België nog steeds verschillende koudbloedrassen, waaronder het Belgisch trekpaard en het Ardens trekpaard. Deze rassen worden soms door elkaar gehaald of als één gezien.

Landbouw

Belgisch trekpaardAl in de zeventiende eeuw fokten de Belgen hun eigen raspaard. Deze paarden werden voor verschillende doeleinden gebruikt. Zo werden ze oorspronkelijk ingezet om postkoetsen te trekken en later om op het land te werken. Afhankelijk van het gebruik werden de Belgische paarden met andere rassen gekruist. Zo importeerden de Belgen bijvoorbeeld Shires uit Engeland om hun paarden steviger en sterker te maken en zo het ideale landbouwpaard te fokken. De fokkers gingen alsmaar selectiever te werk. Zo besloten ze na 1830 om hun trekpaarden niet meer te kruisen met andere rassen en werd het Belgisch trekpaard (foto linkerpagina) geleidelijk een zuiver ras. Een beslissing die de Belgen heel wat succes opleverde, want het Belgisch trekpaard werd een belangrijk exportproduct. Het stamboek telde rond die periode zo’n 230.000 à 250.000 ingeschreven trekpaarden. Jaarlijks kwamen daar 15.000 geregistreerde veulens bij en werden er ongeveer 30.000 paarden geëxporteerd. Tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog was het Belgisch paard het grootste exportproduct van het land. Aan dit succesverhaal kwam abrupt een einde toen de industrialisatie ervoor zorgde dat paarden in een snel tempo door machines werden vervangen. Zo slonk het aantal Belgische trekpaarden na de Tweede Wereldoorlog tot 6.000 exemplaren. Een absoluut dieptepunt. Gelukkig winnen de Belgische trekpaarden tegenwoordig opnieuw aan populariteit. Het zijn gewilde recreatiepaarden en het stamboek registreert nu jaarlijks zo’n 500 veulentjes.



Bosbouw

Het Ardens trekpaard kent eveneens een lange geschiedenis. Zo dienden de voorouders van het ras rond 1800 in het leger van Napoleon. Daar werden ze ingezet om zware kanonnen te trekken. Het ras werd later namelijk vooral gefokt als land- en bosbouwpaard. De fokkers gingen selectief te werk en richtten in 1841 een eerste fokkersvereniging op. Niet zonder succes, want rond 1900 was het Ardens trekpaard helemaal aangepast aan het werk in het bos en op het land. Maar de industrialisatie ging ook aan dit stamboek niet ongemerkt voorbij. De tijd dat alle landbouwers met paard en ploeg het veld ploegden, behoort alweer tot het verre verleden. Toch ging het stamboek niet bij de pakken neerzitten. Zo promoten ze het ras nu bij recreanten en proberen ze het paard aan hun behoeften aan te passen. “Om het Ardens trekpaard geschikter te maken als recreatiepaard, worden sommige paarden gekruist met Arabisch bloed of met Cobs”, vertelt Ides Versyck, hobbyfokker en trekpaardjurylid. “Het stamboek startte daar ongeveer vijftien jaar geleden mee. De veulentjes uit die kruisingen worden geregistreerd in een hulpstamboek. Maar lang niet alle fokkers gaan mee in die evolutie. Er zijn nog steeds veel fokkers die voor de zuivere Ardenner kiezen.”


WEETJE

De Belgische en Ardense trekpaarden werden vroeger vaak geëxporteerd. Maar dit gebeurt tegenwoordig nog steeds. Zo is het Belgisch trekpaard populair in Zweden, Luxemburg en Frankrijk. De Ardenner kun je tegen het lijf lopen in Duitsland, Frankrijk, Polen, Luxemburg en zelfs Noord-Amerika.


Zware jongens

Hoewel het Belgisch en het Ardens trekpaard in eerste instantie best wel op elkaar lijken, zie je uiterlijke verschillen. Dat begint met de stokmaat. “Het Ardens trekpaard is een kleiner ras met een gemiddelde stokmaat tussen 1,55 en 1,64 meter. Het stamboek hanteert een maximale stokmaat. Bij het Belgisch trekpaard is dit precies andersom”, legt Versyck uit. “Daar mogen de paarden vooral niet te klein zijn. Zo zijn er Belgische trekpaarden met een schofthoogte boven de 1,70 meter. Daardoor zijn de Belgische trekpaarden in gewicht zwaarder. Zo kunnen de hengsten soms wel 1.000 tot 1.200 kilogram wegen. Bij de Ardense trekpaarden ligt het gewicht rond 800 kilogram.” Daarnaast heeft het Ardens trekpaard een korter, meer gedrongen model. “Ardenners zijn klein, wendbaar en krachtig. Dat komt omdat ze vroeger gefokt werden om in de bossen te werken. Ze hebben een wat vierkanter model en zijn enorm gespierd. Zo is de hals soms even lang als hij breed is”, vertelt Versyck. “De Belgische trekpaarden zijn wat meer rechthoekig gebouwd. Ze zijn over het algemeen ranker en moderner qua uiterlijk. Al let het stamboek er wel op dat de bouw niet te modern wordt, het moeten natuurlijk wel trekpaarden blijven”, merkt Versyck op. “Je ziet bijvoorbeeld dat het Belgisch trekpaard een minder brede borst heeft en dat de afstand tussen de voorbenen of de achterbenen kleiner is dan bij de Ardenner. Dat wil overigens niet zeggen dat het Ardens trekpaard niet correct gebouwd is. Het ras is gewoon wat breder. Zijn bouw werd opzettelijk zo gefokt, omdat het paard op die manier ideaal was om in de bossen of de mijnen te werken.” Die bouw heeft ook z’n invloed op de gangen van het paard. Zo zijn de stap en de draf van de Ardenner korter. “Hij moet meer stappen zetten om dezelfde afstand af te leggen. Het Belgisch trekpaard heeft ruimere gangen en is wat meer voorwaarts. Dit verschil valt volledig te wijten aan de bouw van de rassen.”

Zeven kleuren

Uiterlijk vergelijkingOmdat de fokkers van het Belgisch trekpaard vroeger erg selectief te werk gingen bij de keuze van hun moeder- en vaderdieren, was er erg weinig variatie qua kleuren. Zo zag je heel wat bruinschimmels. “Tegenwoordig is het ras vooral gewild bij recreanten. En die zien de paarden graag in verschillende kleuren”, weet trekpaardspecialist Ann Muys. “Voor fokkers is het vanuit commercieel oogpunt dan ook steeds belangrijker om op kleur te fokken, natuurlijk zonder dat de paarden aan kwaliteit moeten inleveren. Zo komt het Belgisch trekpaard tegenwoordig in zeven kleuren voor. Bruin, vos en zwart zijn de effen kleuren. Daarnaast zijn er bruinschimmels, blauwschimmels, vosschimmels en appelschimmels. In de toekomst wil het stamboek van elke kleur ongeveer evenveel paarden. Dat is geen makkelijke opdracht, zo is de appelschimmel momenteel extreem zeldzaam. Er is zelfs geen enkele goedgekeurde appelschimmelhengst”, vertelt Muys.
Ook de Ardense trekpaarden zie je in verschillende kleuren. Daarbij zijn de effen kleuren het best vertegenwoordigd. “De meeste Ardense trekpaarden zijn bruin. Er is ook een aardig aantal vossen, terwijl zwarte paarden en schimmels zeldzaam zijn”, vertelt Versyck. “Soms zie je een bruinschimmel. Dat komt omdat de fokkers de Ardenner weleens kruisen met een Belgisch trekpaard. Ze doen dat om te vermijden dat het Ardens trekpaard op den duur te klein zou worden.”

Recreatiepaarden

Belgische trekpaarden aangespannenHet aantal Ardense en Belgische trekpaarden nam tijdens de industrialisatie een forse duik. Toch betekent het niet dat de toekomst van het ras in gevaar is. “Veel recreanten schakelen van een warmbloedpaard over naar een koudbloed. De trekpaarden zijn namelijk veel rustiger. Zelfs al rijd je maar één keer per week, dan nog blijven ze kalm”, zegt Versyck. “Beide rassen zijn erg geschikt als recreatiepaard. Ze zijn erg betrouwbaar en schrikken niet snel. Dat maakt ze ook geschikt als koets- of menpaard.” Erg grote verschillen tussen het temperament en het karakter van een Ardens en een Belgisch trekpaard zijn er niet. “Dat hangt vooral een beetje af van het paard zelf. Door de compacte bouw is de Ardenner wendbaarder tijdens het rijden. Hij heeft ook meer uithoudingsvermogen dan een Belgisch trekpaard. Dat komt omdat ze in de bossen vaak heel wat gewicht op en neer moesten sleuren. Een Belgisch trekpaard zal in vergelijking met een Ardenner iets sneller moe worden. Maar een Belgisch trekpaard is meestal net een tikkeltje betrouwbaarder. Iemand die weinig ervaring heeft met paarden zal daardoor sneller voor het Belgisch trekpaard kiezen”, legt Versyck uit. Een ander voordeel van beide rassen is de veelzijdigheid. “Zo kun je het paard de ene dag voor de koets inspannen en zadel je hem de volgende dag op voor een ontspannen buitenrit.”


WEETJE

Hoewel beide rassen vooral als recreatiepaarden worden gebruiken, hebben sommige trekpaarden nog steeds een echte ‘baan’. Zo kun je ze tegen het lijf lopen in de bossen, waar ze bomen helpen rooien. In Frankrijk is de Ardenner zelfs populair in de wijnbouw. Daar wieden de paarden het onkruid tussen de wijnranken. Soms zie je trekpaarden op een paardenmelkerij. Paardenmelk is namelijk erg gezond en kan daarnaast worden gebruikt voor ijs, likeur en allerlei cosmetica.


Een trekpaard houden

Het onderhoud van een trekpaard vergt wel wat werk, al geldt dat natuurlijk voor elk paard. Toch zijn er enkele specifieke aandachtspuntjes. Zo vragen de staart, de manen en het behang extra onderhoud. “De manen en de staart zijn erg weelderig. Die haren raken dus makkelijk in de knoop en er kan ook vuil in verstrikt raken. Dat geldt ook voor het behang aan de benen. Wat extra poetswerk is dus nodig als je het hygiënisch wil houden. Toch is de Ardenner een tikkeltje makkelijker in onderhoud, omdat de haren dunner zijn dan die van het Belgisch trekpaard”, legt Versyck uit. “Een Ardens trekpaard heeft bijna altijd een lange staart. Gecoupeerde staarten zie je daar zelden, terwijl dat bij de Belgische trekpaarden net andersom is.”

Bron: Bit

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant