-

8 (soms vervelende) vragen die niet-ruiters stellen

Lonneke Ruesink

Je zit met een gewone, onschuldige burger wat te babbelen. Misschien op een feestje, misschien op je werk. Op de één of andere manier leidt het gesprek naar het feit dat jij een paard hebt. De ander kan het onderwerp niet meer omzeilen zonder onbeleefd te zijn en ziet jouw ogen al glunderen: ze moeten wel een paar beleefde vragen stellen over je paard. Die vragen gaan meestal zoals deze.

1. “Ken jij *paardeneigenaar die ergens in dezelfde provincie als jij woont*?”

Wat jij zegt: Nee, ik denk  niet dat ik die ken.

Wat je denkt: Ja, waarschijnlijk ken ik die. Of ik ken op zijn minst iemand die hem of haar weer kent. Dat is het paardenwereldje.

2. “Is paardrijden niet ontzettend gevaarlijk?”

Wat jij zegt: Er kan altijd wat gebeuren als je met paarden werkt, maar je kan er al heel veel aan doen om ongelukken te voorkomen.

Wat je denkt: Niet echt als je paard meer op de wei staat dan dat je met hem aan het werk bent. Hoewel het waarschijnlijk gevaarlijker is om met je paard aan de hand te wandelen na zes weken boxrust dan om een heftig cross-country parcours te rijden.

3. “Ben je er ooit vanaf gevallen?”

Wat je zegt: Ja, maar dat is niet zo erg.

Wat je denkt: Ja, en vaker dan ik zou willen toegeven. Ik zou eigenlijk weer een nieuwe cap moeten kopen.

4. “Moet je betalen voor stalling en voer en al dat soort dingen?”

Wat je zegt: Ik heb geen eigen land, dus ja, hij staat op een stalling.

Wat je denkt: Nee, hij voorziet zich in zijn eigen levensonderhoud dankzij zijn krantenwijkje op zaterdagochtend.

5. “Rijd je altijd?”

Wat je zegt: Ja, ik ga er niet alleen maar uit met mooi weer.

Wat je denkt: Als hij niet soms vreselijk uit zijn dak zou gaan, wel ja.

6. “Doe je aan dressuur *kijkt heel erg trots omdat hij/zij het woord ‘dressuur’ nog wist*?”

Wat je zegt: Nouja, een beetje wel. We mogen meedoen aan de regiokampioenschappen. *Onschuldige burger kijkt je nietszeggend aan*

Wat je denkt: Maar als de pirouettes en de uitgestrekte draf die hij laat zien in de weide als ik hem probeer te vangen ook mee tellen, dan zijn we net Adelinde Cornelissen en Parzival.

7. “Hoe kun je de zorg voor je paard, je werk en je sociale leven combineren? Het lukt mij niet eens om na mijn werk naar de sportschool te gaan!”

Wat je zegt: Ik heb een super strak schema om alles in te passen.

Wat je denkt: Sociaal leven? Wat is dat? En de sportschool – vergeet het maar. Je paard komt eerst en je hoopt het beste voor de rest.

Bron: Horse and Hound

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant