-

Externe omstandigheden spelen grotere rol bij erfelijkheid dan je denkt

Arnd Bronkhorst

Welk gedrag is aangeboren en wat leert een veulen van zijn moeder? Gedragsdeskundige Machteld van Dierendonck is bekend met veel onderzoek naar de invloed op de ontwikkeling van veulens, onder andere het fascinerende terrein van de epigenetica. Hoe hebben omgevingsfactoren tijdens de dracht en de periode erna invloed op het tot expressie komen van bepaalde genen? Bart Ducro, specialist fokkerij en genetica, onderstreept het belang van omgevingsfactoren in de fokkerij.

Elk veulen krijgt een genenpakket mee: vijftig procent van de vader en vijftig procent van de moeder. Veel mensen denken dat het veulen het daarmee moet doen, maar welke genen tot expressie komen, hangt soms af van situaties buiten de foetus zelf. Heeft de merrie tijdens haar dracht veel last van stress, dan zal het veulen in de baarmoeder zich ook voorbereiden op een stressvol bestaan en bijvoorbeeld later sneller cortisol aanmaken. Het leven van de moeder in de natuur is de beste voorbode van het leven dat haar kind te wachten staat. Ook voeding speelt een rol tijdens de dracht.

Dit vakgebied heet de epigenetica. Enkel bij ééneiige tweelingen zijn de epigenetische factoren in de baarmoeder ongeveer vergelijkbaar.

Erfelijke aanleg en leercomponent

Hoe het veulen zich ontwikkelt, is een samenspel van genetische aanleg en omgevingsfactoren. De genetische aanleg is de combinatie van de genen die vererfd worden door moeder en vader met – in  theorie – elk een gelijke invloed. Het genenpakket, verdeeld over een reeks chromosomen, van een ouder kan op vele manieren doormidden; wélke helft door een ouder wordt doorgegeven, verschilt per nakomeling. Dat maakt dat twee volle broers of zusters toch flink van elkaar kunnen verschillen. Een veulen is dus een stuk minder maakbaar dan we misschien denken.

Wat is nu precies de invloed van omgevingsfactoren op het uiteindelijke resultaat voor een bepaald kenmerk? Je kunt het vergelijken met het galopperen van een paard door een supernatte weide of door een bak met een ideale bodem. In de modderige weide vliegen de kluiten je om je oren en moet het paard enorm oppassen om niet uit de bocht te vliegen. Je krijgt dan geen goed beeld van zijn echte vermogen op het gebied van kracht en balans. Op een ideale bodem zal dat beeld juist bovengemiddeld zijn.

‘De invloed van genetische aanleg en omgeving verschilt echter per kenmerk’

Zo hebben omgevingsfactoren ook invloed op de genetische aanleg. De aanleg voor bijvoorbeeld schofthoogte bepaalt wat kan, maar opfok en voeding bepalen of het ook gebeurt. Verreweg de meeste eigenschappen, behalve kleur, passen binnen deze theorie. De invloed van genetische aanleg en omgeving verschilt echter per kenmerk. Voor schofthoogte is de invloed van genetische aanleg bijvoorbeeld groter dan voor sportprestatie. Je moet een paard wel heel slecht opfokken en voeren, wil hij niet uitgroeien tot een schoftmaat ergens rond het gemiddelde van zijn ouders. Maar lang niet elk paard met een goede sportaanleg groeit uit tot een Grand Prix-paard: het is maar net wie het opfokt, traint en berijdt.

Volgens Bart Ducro, specialist fokkerij en genetica aan de Universiteit van Wageningen, is het belangrijk dat we ons realiseren dat we lang niet alle omgevingsfactoren kennen. “Soms blijft een veulen achter in de ontwikkeling en kunnen we maar niet verzinnen waar dat aan ligt. Het is niet ondenkbaar dat het met de dracht te maken heeft. Want ook dan beïnvloedt de omgeving, in de vorm van voeding, de ontwikkeling van een veulen. Als de moeder in slechte conditie is tijdens de dracht, kan dat ook invloed hebben op de ontwikkeling van het veulen.”

Zoektocht naar uier

Voor sommige eigenschappen is de invloed van omgevingsfactoren veel belangrijker dan voor andere, omdat ze tijdens en na de dracht bepalen of bepaalde genen ‘aan’ of ‘uit’ worden gezet. In veel gedrag dat we ‘instinct’ noemen, zit ook een leercomponent. Een leuk voorbeeld hiervan is de zoektocht van het pasgeboren veulen naar de uier van de moeder. Het veulen weet dat hij op zoek moet naar een warme, donkere plek op ooghoogte. Wanneer je deze zoektocht al eens hebt gadegeslagen, weet je dat het veulen ook tussen de voorbenen van de moeder zoekt, onder de voerbak of zelfs onder jouw loshangende jas!

Als de zoektocht uiteindelijk wordt beloond met lekkere warme moedermelk, zal het veulen onthouden hoe en waar hij op dat moment stond. Hoe onhandig die positie misschien ook is, de tweede keer dat het veulen wil drinken bij zijn moeder, zal het exact dezelfde houding aannemen als de eerste keer. Na verloop van tijd leren veulens dat het zijdelings langs hun moeder staan de meest comfortabele drinkhouding is en gaan ze niet meer zoeken. Het ene veulen leert dit sneller dan het andere en daar zit ook een genetisch component in. In uitzonderlijke gevallen leert een veulen het helemaal niet. Dit is dan een aanwijzing dat het genetisch toch niet helemaal in orde is.

Storende factor

Als je je eenmaal realiseert hoe belangrijk de omgevingscomponent is bij de ontwikkeling van het (ongeboren) veulen, kun je tijdens de dracht bewuster handelen en weet je ook dat je na de bevalling het best op de achtergrond blijft. De blauwdruk in het brein waarmee het veulen ter wereld komt, moet voor een groot deel nog worden ingevuld. Bij een aantal zaken is het zo van belang dat het veulen dit goed leert, dat daar zogenoemde ‘gevoelige periodes’ voor zijn. Voor sommige factoren zijn lange gevoelige periodes, voor andere factoren zijn ze korter. Sommige factoren zijn nooit meer te beïnvloeden nadat ze ‘ingevuld’ zijn: wie de moeder is van het veulen bijvoorbeeld. Voor sommige factoren is de invulling flexibeler qua tijd.

‘Paardentaal kunnen veulens alleen van soortgenoten leren, als mens ben je in dit proces enkel een verstorende factor’

In de zeer belangrijke gevoelige periode voor maternale en sociale inprenting, net na de geboorte tot zo’n 24 uur daarna, leert het veulen wie zijn moeder is (geur, vorm, kleur, grootte en streeppatroon als het een zebra is), wie zijn soortgenoten zijn (en dus later de tegenovergestelde sexe) en hoe de omgeving eruitziet. In een tweede periode leren veulens de paardentaal en dus de consequenties van hun eigen handelen: ze leren sociaal gedrag. Dit kunnen veulens alleen van soortgenoten leren, als mens ben je in dit proces enkel een verstorende factor.

Te lief

Uit onderzoek blijkt dat veulens sociaal gezien het meeste leren van andere veulens en de moeders daarvan. Hun eigen moeder is doorgaans te lief en stelt haar grenzen onvoldoende. Als je je realiseert hoe belangrijk de aanwezigheid is van andere merries en veulens tijdens de eerste periode, besef je ook hoe belangrijk het is dat veulens in een groep opgroeien. Na het spenen zou er in een groep veulens ideaal gezien dan ook minimaal één volwassen paard moeten achterblijven. Die gevoelige periode van veulens, waarin zij zoveel belangrijke codes en gedragingen leren, is het eerste half jaar heel sterk, maar kan tot anderhalf jaar daarna ook nog gedeeltelijk ingevuld worden.

Vergelijk het met kinderen: die hebben een gevoelige periode voor het leren van hun moedertaal. Tijdens de eerste zeven tot acht jaar van hun leven gaat dit zonder moeite en een eventuele tweede taal leren ze er ook zo bij. Volwassenen kunnen ook nog wel een nieuwe taal leren, maar meestal veel moeilijker.

Risico van inteelt en lijnteelt

Eigenlijk lijken alle eigenschappen van een veulen in eerste aanleg aangeboren, maar aan vrijwel alles zit ook een omgevings- en/of leercomponent. Geboorte, opgroei en opfok zijn dus minstens zo belangrijk. Bovendien komen sommige erfelijke eigenschappen pas bovendrijven in een bepaalde situatie. Bijvoorbeeld wanneer er een ernstige ziekte uitbreekt. Machteld van Dierendonck: “Een voorbeeld hiervan is dat hoewel heel veel mensen stierven aan Ebola, er ook mensen waren die het overleefden of zelfs niet eens ziek werden. Een bepaalde toevallige genetische combinatie bij de conceptie zorgde voor deze ongevoeligheid. Deze mensen krijgen ook kinderen met die eigenschap. Komt zo’n ziekte nog een aantal keer voorbij in een paar generaties, dan ontstaat er vaak een ongevoeligheid voor de ziekte in die populatie. Met deze wetenschap begrijp je dat ik geen voorstander ben van inteelt en lijnteelt. Je verdubbelt en versterkt namelijk niet alleen de goede genen, maar ook de slechte en je verliest potentieel veel genetische variatie die het mogelijk maakt om toekomstige omstandigheden het hoofd te kunnen bieden.”

 

Door binnen een lijn of familie te fokken, stoot je veel variatie in genen af. “Stel je voor dat een paard heel gevoelig is voor een bepaalde ziekte, dan kan een hele lijn daardoor getroffen worden. Kijk naar honden en wat voor trieste tendensen zich daar afspelen door de veel te smalle genenpools binnen de meeste rassen. Bij sommige rassen worden de meest pijnlijke en vervelende afwijkingen met opzet gefokt, omdat de mens ze zo mooi vindt. Die afwijkingen kunnen bovendien vaak niet meer worden opgelost, omdat er geen variatie in de genen meer is.”

 


Stalondeugden: aangeleerd of erfelijk?

Het is de vraag of stalondeugden aangeleerd of erfelijk zijn. Machteld van Dierendonck noemt het liever stalsyndromen, omdat ze met de stal te maken hebben en niet met het paard zelf; het zijn vooral stereotypieën als weven, kribbenbijten en boxlopen. Onderzoek uit Groot-Brittannië toont aan dat sommige hengsten inderdaad meer nakomelingen met een stereotypie hebben dan andere. Die genetische aanleg voor stereotiep gedrag is dan aanwezig in het veulen, maar moet wel door een concrete situatie getriggerd worden. Een paard met die gevoeligheid zal het gedrag sneller gaan uitvoeren en ook sneller ‘verslaafd’ raken aan het uitvoeren van het gedrag en het dus blijven doen. Breng je een paard niet in de negatieve situatie waarin de stereotypie zich kan ontwikkelen, dan gebeurt het ook niet.

Het is ook de vraag of veulens van stereotyperende merries die zelf ook stereotiep gedrag vertonen, dat doen omdat ze dat ‘sociaal geleerd’ hebben of omdat ze in dezelfde, minder optimale situatie leven. In ieder geval is nog nooit aangetoond dat paarden op een stal stereotypieën van elkaar overnemen, op latere leeftijd heeft het meer met het management en de huisvesting te maken.


Zijn Jazz-nakomelingen echt zo moeilijk?

Een ander voorbeeld waar genetische aanleg een grote rol zou spelen: Jazz staat erom bekend dat hij moeilijke nakomelingen zou geven. Machteld: “Ik vraag me soms af of dit echt wel zo is.” Ten eerste kan dit zo lijken omdat Jazz heel veel nakomelingen heeft en er doorgaans alleen bij problemen geklaagd wordt, dat zijn er dan dus ook relatief veel. Mensen behandelen ‘een Jazz’ bovendien al vaak anders dan een ander paard, in de verwachting dat hij wel moeilijk zal zijn.”

Als mensen een Jazz-nakomeling aanschaffen, kopen ze bovendien een verwachting op goede prestaties, ze kopen het gegeven dat ‘alle knopjes er opzitten’. “Men heeft dan de neiging te snel prestaties te eisen en als dat dan niet direct lukt, grijpt men naar te zware hulpmiddelen. Maar er spelen eindeloos veel factoren een rol als je er goed over nadenkt. Ik vraag me dus af of Jazz-nakomelingen wel echt zo moeilijk zijn of dat een heel complex aan factoren na de geboorte van invloed is.”

Bron: Bit