-

De achterhand, een sterke motor of een zwakke schakel?

Arnd Bronkhorst

De achterhand van het paard wordt gezien als de sterke motor van het paard. Als het paard loopt met een actief, dragende achterhand, dan is het paard lichter in de voorhand. Maar hoe zit het met de opbouw van de achterhand en hoe herkennen we nu of het paard actief is? De NVFD legt uit.

Meer lezen over de achterhand van je paard? Lees dan de minigids ‘Werken aan een sterke achterhand’, nu bij Bit.

Tijdens een training kunnen we een verminderd achterbeengebruik bijvoorbeeld herkennen in de mate van overstap. In stap en draf wordt het binnenachterbeen gezien als het meest dragend in een wending. Is het paard niet krachtig genoeg, dan kan het paard bijvoorbeeld naar binnen vallen op de binnenschouder, moeite hebben met het houden van balans, versnellen in de bocht of juist langzamer gaan. In een verruiming kan het paard wijd gaan bij een verminderd actieve achterhand of kan het paard bij het schakelen juist uit elkaar vallen en zijn impuls verliezen. In galop is het buitenachterbeen het meest dragende achterbeen. Bij een verminderde kracht aan één kant zien we hierin dus vaak een verschil in gemakkelijke kant in de draf en in de galop. Een belangrijke kanttekening hierbij is wel het functioneren van de lendenwervelkolom. Een achterhand kan ook minder actief zijn, omdat de lendenwervelkolom het gevraagde niet kan uitvoeren. Hierdoor kan het lijken dat de achterhand niet krachtig genoeg is, terwijl de oorzaak van het probleem vanuit de rug kan komen. De dierenfysiotherapeut kan door onderzoek bekijken waar het probleem vandaan komt en kan spierversterkende oefeningen voor de achterhand en/of rug meegeven.

Zweeffase

De spieren en pezen aan de voorzijde van het achterbeen zorgen voor het naar voren brengen van het been en de spieren aan de achterzijde voor het naar achter brengen van het been. Als het been naar voren toe bewogen wordt, de zweeffase van het been, dan zullen de heupbuigers de beweging inzetten (met name de m. psoas, de verschillende delen van de m. quadriceps en de adductoren). Zodra de hoef van de grond komt, maken alle gewrichten een buigende beweging door de aanspanning van de onderbeenspieren (de m. tibialis anterior en een deel van de broekspieren) Door het spanzaagmechanisme (de koppeling tussen de sprong en de knie) wordt de knie ook gebogen. Zodra de hoef het hoogste en middelste punt bereikt heeft, volgt de strekking van het been, ingezet vanuit de kogel, daarna de sprong en knie met als laatste de heup. Zodra de hoef op de grond landt, zorgen de buigpezen voor een afremmende kracht en zetten die om in een opwaartse kracht. 

Dragende fase

Vervolgens wordt het lichaam over het achterbeen geduwd door de kracht van de bilspieren en broekspieren, doorlopend in de rugspieren. De stabiliteit van de heup wordt gewaarborgd door de diepe bilspieren en de abductoren. Deze fase, de dragende fase, vraagt de meeste kracht van spieren van de achterhand. Hoe meer vermogen het paard in deze spieren heeft, hoe groter de draagkracht van de achterhand is. Als de draagkracht van de achterhand beter is, zal het paard beter in staat zijn om opgericht te bewegen en de voorhand minder te belasten. 

Blokkades

Gezien de psoas spieren en de bilspieren ver door reiken in de lendenwervelkolom, is het belangrijk dat de rug vrij van blokkades is en een goede gestabiliseerde mobiliteit en functie heeft voor een goed dragend vermogen en een actief achterbeen. Bij blokkades in de rug zullen de rugspieren niet optimaal kunnen werken en kan de aansturing van de spieren van het achterbeen verstoord zijn. Voorbeeld van een verminderd functioneren van de achterhand is bijvoorbeeld het minder onderbrengen van het achterbeen met soms zelfs een verschil in onderbrengen tussen het linker- en rechterachterbeen. Maar ook de strekking is belangrijk: de afstand hoort naar achteren net zover te zijn als de afstand die het been aflegt bij het onderbrengen naar voren. Daarnaast is de duur van de standfase belangrijk; hierbij moet het paard links en rechts gelijk belasten qua tijdsduur en qua gewicht. 

Lesje anatomie
Met de achterhand worden beide achterbenen van het paard bedoeld, samen met het bekken. Het bekken draagt de kracht over van de achterbenen naar de rug. Het achterbeen bestaat van onderaf uit de volgende botstukken: het hoefbeen, kootbeen, kroonbeen, pijpbeen, scheenbeen en kuitbeen en het dijbeen. De kogel wordt gevormd door het kroonbeen en het pijpbeen, samen met de sesambeentjes. De sesambeentjes zorgen voor een goede peesgeleiding en voor het vergroten van het draagoppervlak van het gewricht. Het spronggewricht, ook wel de hak genoemd, ligt  tussen het pijpbeen en het scheenbeen. Het spronggewricht is een samengesteld gewricht dat uit 7 botstukjes bestaat. Het kuitbeen loopt bij het paard niet zo ver door en maakt dus geen deel uit van het spronggewricht. De knie van het paard bestaat net als bij de mens, uit het scheen- en kuitbeen, het dijbeen en de knieschijf. De knieschijf zorgt voor het vergroten van de krachtsoverdracht van de kniestrekkers. Daarnaast heeft de knie, net als bij de mens, een binnen- en een buitenmeniscus en een binnen- en buitenband. Het heupgewricht wordt gevormd door de kop van het dijbeen en de heupkom in het bekken. Het heupgewricht zit diep aan de binnenzijde van de lies.

Meer lezen over de achterhand van je paard? Lees dan de minigids ‘Werken aan een sterke achterhand’, nu bij Bit.

Tekst: NVFD

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant