-

Variaties in schouderbinnenwaarts

Ruitergevoel

Hester Bransen van Ruitergevoel en Hippisch Instructeur van het Jaar heeft een aantal variaties op de oefening schouderbinnenwaarts, zodat je kunt afwisselen in je training.

Wanneer je alleen maar op de lange zijde schouderbinnenwaarts rijdt, verbetert dat de oefening niet altijd. Door variatie in je training aan te brengen blijf je zelf gefocust, maar ook je paard zal de training leuk blijven vinden. Daarnaast kan een andere manier van trainen je helpen de oefening beter te beheersen, je paard sterker te maken en zijn balans te verbeteren.

1. Schouderbinnenwaarts op de volte

De eerste variatie die Hester uitlegt is er een die je op de volte kunt rijden: “En het is heel leuk om dat te doen. Omdat er geen begin en geen einde is, kan je doorgaan met de oefening totdat je paard de oefening goed uitvoert. Daarnaast kun je de oefening makkelijk stoppen door ‘normaal’ op de volte verder te rijden om daarna de oefening weer in te zetten. Er zijn geen bordjes op de volte waar de lange zijde toevallig afgelopen is.”

2. Wissel af met rechte stukjes

Een tweede variatie van Hester is juist op de lange zijde: “Wat je ook nog kan doen, is een klein stukje schouderbinnenwaarts rijden op de hoefslag. Vervolgens rijd je precies in de richting waar je paard naartoe kijkt. Dus schuin naar binnen naar de tweede of derde hoefslag. Als je paard daarop loopt, ga je weer verder met je schouderbinnenwaarts. Dan zet je je paard heel fijn en scherp aan de hulpen. Als ruiter word je ook heel handig in het inzetten en stoppen van deze oefening. De wand is vaak een mikpunt van de ruiter en op de binnenhoefslag krijg je meer gevoel voor de oefening. Je krijgt meer gevoel voor het plaatsen van de schouder ten opzichte van het binnenachterbeen van je paard en hoe je hem correct in de lengtebuiging houdt zonder dat hij aan de wand plakt.”

3. Schouderbinnenwaarts in galop

Dan kun je de schouderbinnenwaarts ook nog in galop rijden. “Deze oefening is niet geschikt om de galop ruimer te maken, want je plaatst de schouder voor het binnenachterbeen. Deze gaat dus niet veel verder naar voren in galop. Maar het werkt wel goed om je hulpen te geven aan de buitenteugel zodat je de schouder kunt te plaatsen. Wanneer je die teugel een beetje tegen de hals aan duwt, kun je de schouder als het ware een beetje naar binnen duwen. Dit rijd ik vaak op de korte zijde inclusief beide hoeken. Ik start de oefening op het einde van de lange zijde: dan rijd ik in schouderbinnenwaarts de wending door. Dit doe ik ook op de korte zijde en de hoek erna. Op de lange zijde maak ik het paard dan weer recht. Als je dat een paar keer doet, dan gaat het paard dat op een gegeven moment al doen als je de buitenteugel tegen de hals aanlegt. Als je dan teruggaat naar de draf, heb je daarna een waanzinnige schouderbinnenwaarts. Het ontwikkelt tegelijkertijd ook meer draagkracht in het achterbeen.”

Hester legt lachend uit dat de paarden er vaak wel een nachtje over moeten slapen: “Wanneer je die oefening voor het eerst doet, is het best moeilijk voor ze. De eerste dag weet je niet hoe je die oefening door komt. Maar als je je paard dan een dag later pakt, dan gaat het vaak al makkelijker!”

4. Varieer in tempo en sporen

De laatste variatie die Hester uitlegt betreft tempowisselingen en wisselingen van sporen in schouderbinnenwaarts: “Tijdens het rijden van schouderbinnenwaarts kan je ook tempowisselingen rijden. Vang je paard eens wat meer op of rij wat meer toe. En natuurlijk kan je ook overgangen rijden in de schouderbinnenwaarts van draf naar stap, en andersom. Ook de sporen kan je afwisselen.” In schouderbinnenwaarts loopt het paard op drie sporen: het binnenvoorbeen is op één spoor, het buitenvoorbeen en binnenachterbeen is ook één spoor en het derde spoor is het buitenachterbeen. Hester: “Dit hoef je natuurlijk niet altijd evenveel te doen. Je kan variëren in de mate hoe schuin je de oefening rijdt. Elk paard heeft een voorkeurskant en buigt aan één kant beter dan aan de andere kant. Op de kant waar het paard zich te veel buigt, houd ik het paard vaak wat rechter. Vindt het paard het moeilijk om lengtebuiging te maken, dan probeer ik de oefening wat minder schuin te rijden, maar juist met wat meer lengtebuiging om dit te verbeteren.”

Bron: Bitmagazine.nl

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant