-

Tip Mas van Veenendaal: Werk aan een stabiele basis

Foto Arnd Arnd Bronkhorst

Elke week krijg je een tip van een deskundige. Deze week is de tip afkomstig van Mas van Veenendaal, eigenaar en springruiter bij Stal de Bergkampen.

Mas van Veenendaal

Mas van Veenendaal

“Alles in het rijden staat of valt met een stabiele basis. Maar wat is nou een stabiele basis? Denk hierbij aan het Skala der Ausbildung: takt, ontspanning, aanleuning, impuls, recht richten en verzameling. Een paard dat volgens dit schema gereden en vooral onderhouden wordt, zal fysiek sterker worden. Hoe hoger de verwachtingen van je paard, des te beter zal je je paard voor elkaar moeten maken. De dressuuroefeningen – zoals beschreven vanuit de klassieke rijkunst – zijn geen trucjes, maar oefeningen om je paard meer balans te geven en het gewicht over alle vier de benen te leren verdelen.

Zwaar op de hand

Ik hoor meer dan eens de opmerking: ‘Mijn paard hangt en is zo sterk’. Dat hebben we allemaal weleens meegemaakt, maar hoe los je dat op? Het is aan ons, als de ruiter, om het paard te leren zijn lichaam goed te gebruiken. Aan de teugel rijden doe je door vanuit de achterhand de kracht te halen die jij voor opvangt met je hand, waardoor jouw paard vanuit de aanleuning nageeflijk wordt en in een goede verbinding komt. Dit doe je dus met je been. Zorg dat je paard goed aan je been is en voorwaarts wil lopen.
Als je opstapt en je paard rond vraagt aan de voorkant met alleen met je hand – en je hand vergeet – zal je paard bij voorbaat al op de handrem lopen. Dit is voor zowel ruiter als paard onplezierig. Wordt je paard sterk aan de voorkant, vang die druk dan op met je hand, maar los het op met je been door de achterhand meer te activeren waarna je paard weer in je hand zal zakken, nageeflijk wordt en ontspant. Hieruit kun je ook opmaken of je paard linksachter en rechtsachter gelijk in kracht is. Als je paard sterker is in je linkerhand, dan kan het goed wezen dat je paard linksachter minder makkelijk tot dragen komt en je dit achterbeen meer moet activeren.

Schakelen

Veel schakelen in draf en galop is belangrijk. Vraag je paard te vertrekken voor je been. Zodra je paard je meeneemt in de beweging, beloon je je paard door te ontspannen. Vraag je paard terug te schakelen. In galop kan dit soms makkelijker zijn door een volte te sluiten. Houd je paard op twee teugels en sluit de volte op je buitenbeen, terwijl je wat terugvraagt in je hand om aan te geven dat je een zijwaartse hulp geeft. Ook in het terugrijden moet je je kuit aan je paard houden om de impuls achter te houden. Controleer te allen tijden het tempo. Laat je paard niet uit zichzelf vertrekken of terugkomen. Wees hierbij duidelijk en consequent. Blijf dus niet duwen met je been of te lang hangen aan je paard. Probeer het snel op te lossen, zodat je ook weer sneller naar de ontspanning kan. In de ontspanning leert je paard en kun jij het meest comfortabel rijden.

Lengtebuiging en wendingen

Start eerst met een goede ronde volte tussen twee teugels en benen. De eerste keren zal je paard wat recht blijven in het lichaam, maar zodra het draaien makkelijker wordt en je paard nageeflijk blijft, kun je hem inbuigen op de volte door binnenkuit te geven en tegen je buitenhand aan te rijden. Zodra je paard de binnenteugel wat losser laat, heeft op dat moment jouw binnenbeen de druk van jouw binnenhand overgenomen. Zo blijft je paard aan elkaar, verkrijg je lengtebuiging en kan je buitenteugel en -been zorgen je dat paard niet over de buitenschouder wegloopt. Rijd met je benen wendingen vanuit de achterhand. Het buitenbeen rijdt de wending en je binnenbeen zorgt dat je paard zich niet de bocht om laat ‘vallen’. Dit kan je veel oefenen op de binnenhoefslag, zodat je iedere rechte lijn en wending zelf moet rijden en bijvoorbeeld door grote slangenvoltes. Vervolgens kan je iets meer buiging om je binnenbeen vragen vlak voor je de wending inzet.

Effect

De aanleuning zal lichter worden, omdat je paard het gewicht verdeeld over de voorhand (50%) en de achterhand (50%). Je paard wordt ronder in bespiering, kan de ruiter beter dragen en krijgt meer balans en lichaamsgebruik. Een paard dat scherper aan de hulpen staat is makkelijker en netter te rijden in de ring. De lijnen worden strakker, je ritme beter controleerbaar, je kunt tijdens het springen schakelen om afstanden passend te rijden.

Gebruik je verstand

Blijft dit lastig, schakel dan de hulp in van een goede instructeur. Blijf niet zelf doormodderen. Jij bent als ruiter verantwoordelijk voor de opleiding en de gemoedstoestand van je paard. Roep niet: ‘Mijn paard luistert niet, wil niet en is vervelend’. Zoek het probleem bij jezelf en zie dit als een uitdaging om op te lossen. Moeilijkheden kunnen voortkomen uit de bouw van je paard/aanleg, medische redenen en de rijerij. Loop niet op de feiten vooruit, blijf in het niveau wat op dat moment bij jou en je paard past en houd altijd je ‘koppie’ erbij. Trainen is geen afdwingen, maar uitleggen. Hoe stoer is het als jouw paard goed te rijden is? Dat is iets om trots op te zijn!”

Ik geef de pen door aan: Roy Ketel van Roy Ketel gebitsverzorging paard.