-

Een sprongetje voor de afwisseling: Hoe begin je?

springen Arnd Bronkhorst

Natuurlijk kan een goede instructeur je de kneepjes van het vak leren, maar je kunt ook zelf vast aan de slag. Al doende leer je immers. Dankzij springinstructeur Arran Steinweg hoef je niet in het diepe te springen en ga je goed voorbereid van start!

Allereerst benadrukt Arran dat losrijden belangrijk is. “Ik denk dat als je gaat springen je in de basis je paard eerst goed moet losrijden. Daarbij is belangrijk dat je controle hebt over het tempo, dus dat je langzamer of sneller kan. Bij het losrijden is het ook van belang dat je controle hebt met sturen.”

Basistempo

“Voor het springen heb je een constant basistempo nodig. Het basistempo is een tempo van waaruit je kan versnellen en vertragen.”

Verbinding

“Als je zelf moeite hebt met balans, dan kun je ervoor zorgen dat je de teugels niet te kort hebt en kan steunen op de hals. Begin dan vooral ook echt met kleine sprongen, zodat je samen met je paard het vertrouwen krijgt om de sprong te nemen. Zeker als je weinig springt is het van belang dat je het paard niet te veel in de mond zit. Daardoor kunnen ze problemen krijgen met het zelfvertrouwen. Hierdoor kan het paard juist te hoog of raar gaan springen, dus de vrijheid van het paard in de mond tijdens de sprong is heel belangrijk.”

Rustig opbouwen

Arran geeft aan dat je het beste rustig kunt beginnen door bijvoorbeeld eerst eens met wat cavalettiwerk aan de slag te gaan. “Ik ga er vanuit dat ruiters die voor de afwisseling eens springen geen wedstrijd rijden. Dan is het heel om belangrijk rustig te beginnen. Eerst ga je aan de slag met wat enkele balkjes door eroverheen te stappen of draven, vervolgens ga je verder met wat drafbalkjes en zo bouw je dat uit tot een sprongetje. Ik raad aan om te beginnen vanuit een draf in basistempo. Zorg ervoor dat je op tijd kijkt om te zien hoe de wending loopt. Het maakt dan niet zoveel uit of je op de hindernis kijkt of naar een punt daarachter.”

Kruisje

“Ik zou in principe altijd beginnen met een kruisje. Helemaal als je beginnend bent, springt je paard toch makkelijker naar het midden toe en krijg je een fijner sprongetje. Dan kan je daarna bijvoorbeeld op vier galopsprongen een steilsprong nemen. Dat is natuurlijk per paard verschillend, maar daar kun je diverse tabellen voor vinden. Ga rustig samen aan het spelen.” Als extra tip geeft Arran dat je gebruik kunt maken van balken aan de zijkant om zo aanleuning te creëren. Dit kun je doen door aan beide zijden een balk te leggen van de hindernis naar de grond. Je paard is dan minder snel geneigd om langs de hindernis te gaan.

Drie tips

  1. “Voorwaartse drang is het belangrijkste, want zonder de voorwaartse drang – de activiteit – wordt het heel moeilijk om te corrigeren en te sturen. Het losrijden is dus al een grote voorbereiding voor het springen. Let op dat het paard goed aan je been is, goed op de ophoudingen reageert en je een goede wending kan rijden richting de sprong.”
  2. “Een belangrijk tip: probeer nooit je paard langs de sprong te laten lopen. Stilstaan mag best, maar als ze er langs lopen leren ze te vluchten en wordt het een steeds groter probleem.”
  3. “Neem de tijd. Ga liever één keer in de twee weken constanter springen en zorg dat je het rustig opbouwt in plaats van dat je jezelf ineens hoge doelen stelt.”

Lees ook:

Bron: Bitmagazine.nl

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant