-

Oude meesters: van De Guérinière tot Johan Hamminga

Ekaterina Grishina | Arnd Bronkhorst

Oude meestersDe meesten zullen het niet weten, maar huidige rijmeesters hebben ongelooflijk veel te danken aan de ‘uitvinder’ François robichon de Guérinière (1688-1751). Hij ontwikkelde het standaardwerk ‘Ecole de Cavalerie’; een systematische en progressieve opbouw in de africhting van paarden.


François Robichon de Guérinière was van 1730 tot zijn dood directeur van de Manège des Tuileries en opperstalmeester van koning Louis XIV. De Guérinière vond een aantal oefeningen uit die nu tot de vaste stof van de dressuur behoren, zoals de contragalop en de galopwissel. Hij legde ook uit welke rol deze oefeningen vervullen bij het bereiken van de algemene rijkunstige doelstelling: een licht, gehoorzaam, kalm paard. Zijn stelling daarbij: ‘De lichtheid van de mond gaat aan de lichtheid van het gehele paard vooraf’.

Ook schouderbinnenwaarts op de rechte lijn is door De Guérinière ontwikkeld. “Het is de alfa en de omega, hoogst nuttig voor het soepel maken”, zo beschrijft De Guérinière zelf het schouderbinnenwaarts. Hij bracht zijn paarden deze oefening eerst in stap en draf bij. Later tijdens de opleiding volgde schouderbinnenwaarts in galop. De Guérinière beschrijft dat het binnenachterbeen dan dichter bij het buitenachterbeen wordt gebracht, waardoor de achterhand zich meer onder de massa plooit en het paard soepeler wordt. Eenmaal weer recht galopperend is het paard dan in staat om met zijn achterbenen precies de lijn van de schouders te volgen.

Ook de halve ophouding komt van De Guérinière. Hij zag het als een middel om de daarop volgende oefening mogelijk te maken: de zogenaamde ‘descente de main’. “Eén van de subtielste en nuttigste hulpen van de rijkunst”, aldus De Guérinière. De halve ophouding heeft een verzamelend effect op de achterhand. Vervolgens beschrijft De Guérinière hoe de ruiter de teugels uit de hand kan laten glijden bij een verzameld paard dat totaal vrij is en licht aan de voorkant.
Aan de ‘descente de main’ is in de Franse rijkunst de ‘descente de jambe’ toegevoegd. Hiermee controleert de ruiter of zijn paard, na het ontvangen van de beenhulp, de gewenste impuls zelf aanbiedt. De ‘descente’ dient dan als beloning als het paard zelf voorwaarts blijft.
De Guérinière had nog een andere belangrijke primeur. Volgens hem zijn niet alle paarden geschikt voor hetzelfde gebruik. Daarnaast moet de ruiter zijn paard vooral niet blootstellen aan oefeningen die hij niet kan. Het is het eerste teken van wat wij nu ‘specialisatie’ noemen.

De moderne ruiter

“Dit is weinig nieuws onder de zon”, zegt dressuurtrainer Johan Hamminga. “Dat is ook logisch, want de paarden zijn anatomisch gezien nauwelijks veranderd. Ik denk dat ze nu alleen wat groter zijn, meer souplesse hebben en over wat meer galoppeervermogen beschikken. Dat is ook de reden dat we steeds hogere scores zien in de dressuur.

Rijkunst is een kwestie van werken naar evenwicht toe en vervolgens doorwerken vanuit dat evenwicht. De ondersteuning vanuit het achterbeen moet zich zodanig ontwikkelen dat het paard aan de voorkant licht wordt en smakelijk in de aanleuning. Daar moeten juryleden ook op blijven letten. Doet een paard ‘kunstjes’ vanuit een spanningsveld en landt hij eerst op het voorbeen, of ontstaat er ontspanning vanuit een dragend achterbeen dat als eerste de grond raakt? Nog beter zie je het verschil aan de halslengte en de hoofd-halspositie. Een korte hals is een teken van spanning, terwijl er veel minder druk op een paard staat als de hals op lengte is. Schouderbinnenwaarts is voor mij nu nog steeds één van de belangrijkste oefeningen. Al zal ik dit niet vaak in galop doen, maar dat komt doordat wij veel met jonge paarden werken. Bij een jong paard is het heel belangrijk om ‘m eerst in een zuivere drietakt te laten galopperen. Dat komt in gevaar als je gelijk al oefeningen gaat rijden in galop. Als je een jong paard zuiver én recht kunt laten galopperen, ben je al een kei.

Natuurlijk onderschrijf ik wat De Guérinière zegt over de geschiktheid van het paard. Ik heb weleens een draver in de les gehad die piaffe en passage moest leren. Ik zei: ‘Doe ‘m dat niet aan.’ Hij is voor iets totaal anders gefokt.”

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant