-

In balans deel 1: horizontaal evenwicht

Arnd Bronkhorst | Ekaterina Grishina

Evenwicht is één van de belangrijkste begrippen uit de rijkunst. Je kunt het onderverdelen in twee varianten: horizontaal en verticaal. Toptrainer Johan Hamminga legt uit wat het is en hoe je de juiste balans ontwikkelt. Dit keer staat horizontaal evenwicht centraal.

Wat gebeurt er als je op de rug van een paard gaat zitten? Dressuur­ trainer Johan Ham­minga gaat er eens goed voor zitten en neemt de tekenpen ter hand. Vier stippen zijn de benen, van bovenaf gezien. “Een paard is aan de voorkant smaller, de voorbe­nen staan dichter bij elkaar dan de achterbe­nen.”

Zodra de ruiter op een paard plaatsneemt, zet deze zijn benen uit elkaar. “Met correcte training willen wij op de eerste plaats terug naar het natuurlijke evenwicht, dus de benen weer op de plek waar ze stonden zonder ruiter. Daarvoor moeten de voorbe­nen niet naar achteren, maar wil je wel dat de achterbenen meer naar voren worden geplaatst. Voor meer verzameling werken we eraan om de achterbenen nog iets ver­ der naar voren te krijgen, meer onder de massa, zodat ze meer gewicht opnemen.”

Zodra een ruiter op een paard gaat zitten, zet deze zijn benen uit elkaar. Met correcte trai- ning streef je naar het natuurlijke evenwicht en hierbij komen de paarden- benen weer op de plaats waar ze stonden zonder ruiter.

Zodra een ruiter op een paard gaat zitten, zet deze zijn benen uit elkaar. Met correcte training streef je naar het natuurlijke evenwicht en hierbij komen de paarden- benen weer op de plaats waar ze stonden zonder ruiter.

Verzameling

De volgende tekening wordt erbij gepakt. Het paard van opzij gezien, met een ruiter erop. Het paard gaat voorover, met duidelijk meer gewicht op de voorhand. “Ieder paard loopt van nature voorover. Dat wordt erger als er iemand op zijn rug gaat zitten. Dat wil je niet, want een paard op de voorhand geeft veel druk in de hand en is lastiger te sturen.”



Johan tekent de botten van het achterbeen. “Als het achterbeen maar weinig naar voren wordt gezet en een langere fase naar achte­ren beweegt, is het paard aan het stuwen. Je ziet dan dat hij zijn hakken naar achteren trekt. Hij duwt zich naar de voorhand toe. Beweegt het been echter meer naar voren dan naar achteren, dan draagt het paard zijn gewicht. Dat kan alleen als hij zijn been meer buigt. Daardoor zakt de achterhand en komt de voorhand hoger. Dat leidt tot horizontaal evenwicht. Hoe verder de achterbe­nen ondertreden, hoe hoger de voorkant komt. Het paard loopt dus niet meer voor­ over. Het gevolg is ook dat de bovenlijn meer opwaarts welft en het paard lichter in de hand wordt. Mits je hem aan de voorkant op een vriendelijke manier begrenst natuur­ lijk. Hij leunt dan niet op de ruiter, hij draagt zichzelf.”

Basisvoorwaarden

Hoe ga je ervoor zorgen dat een paard zijn achterbenen meer buigt en onder zijn li­chaam zet? Johan hamert op de basisvoor­ waarden. “Als je een korte ophouding geeft met de teugels, moet het paard daarop te­rugkomen. Als je twee kuiten even aandrukt en je geeft met je hand de gelegenheid, dan moet hij direct naar voren gaan. Als je één been aanlegt, moet het paard inbuigen. Druk je door met dat ene been, dan wil je dat hij opzij gaat.”

Praktische tips van Johan Hamminga

  • Begin met de basis: been is voorwaarts, ophouding is ‘ho’.
  • Rijd correcte overgangen en tempowisselingen.
  • Laat je paard af en toe een paar passen opzij maken voor je been.
  • Als het paard gehoorzaam is aan de basishulpen, kun je schoudervoor introduceren. • De volgende stap is schouderbinnenwaarts, waarbij je het binnenachterbeen stimuleert. • Blokkeren met je handen zorgt ervoor dat de achterbenen minder ver doortreden.
  • Hoofd omhoog? Rijd wendingen en voltes, laat nageven aan de binnenkant.
  • Wat je vóór voelt, gaat achter fout, dus daar ligt de oplossing.

Het klinkt simpel, maar Johan benadrukt dat er hierin vaak iets niet voor elkaar is als het paard te veel op de voorhand blijft lopen. “Deze gehoorzaam­heid, deze controle is nodig om het paard zover te krijgen dat hij zijn achterbenen meer gaat onderbrengen.”

Aanleuning is het volgende. “Dat is de druk op de teugel die het paard aanbiedt als de ruiter contact heeft genomen en voorwaarts rijdt. Aanleuning kun je niet nemen, het gaat van het paard uit. Het is op beide kan­ ten gelijk als beide achterbenen evenveel aan de voortbeweging deelnemen. Dat is een belangrijk punt. Als één achterbeen minder ver naar voren wordt gezet, voel je vóór een ongelijk contact. Vaak gaan ruiters dat oplossen waar ze het voelen, namelijk aan de voorkant. Maar de oorzaak zit ach­ter.”

Om het horizontale evenwicht te bereiken moet het paard zijn achterbenen verder naar voren brengen. Hierdoor draagt het paard zijn gewicht, zakt de achterhand en rijst de voorhand.

Om het horizontale evenwicht te bereiken moet het paard zijn achterbenen verder naar voren brengen. Hierdoor draagt het paard zijn gewicht, zakt de achterhand en rijst de voorhand.

Manegepaard

Om horizontaal evenwicht te krijgen, moet je veel overgangen en tempowisselingen rij­ den. Maar het werkt alleen als je die schake­lingen correct rijdt. “Een manegepaard maakt waarschijnlijk veel meer overgangen per dag dan het gemiddelde dressuurpaard. Dus als dat alleen de oplossing zou zijn, zou­ den die allemaal super verzameld rondlopen en dat is toch niet het geval. Je moet zorgen dat je in de overgang terug de drang naar voren houdt. Dat doe je met je benen. Ik vind niet dat dat conflicteert met de hulp voor terugkomen. Daarvoor maak je een korte ophouding met je hand. Als die hulp doorkomt, is je hand alweer weg en kan je het achterbeen meer naar voren rijden.”
Als een paard in de overgang zijn hoofd om­ hoog doet, heeft de ruiter volgens Johan het samenspel van voorwaarts rijden en opvan­gen niet voor elkaar. “Dus dan ga je het in de wending en op de volte proberen want dan kom je er gemakkelijker doorheen dan op de rechte lijn. Maak hem eerst gehoorza­ mer voor je binnenbeen, zodat hij aan de binnenkant soepeler en losser wordt. Geeft het paard na door lichter te worden, dan komt de ophouding door en kan je aan het achterbeen werken.”

Johan waarschuwt dat gehoorzaamheid aan het been iets anders is dan een paard bang maken. “Als hij wegschiet, ga je je doel voorbij. Je moet er met je been aan kunnen komen, kunnen doseren hoeveel je wilt. Rent hij naar voren, dan ben je alles kwijt. Daar leert hij niets van.”

Blokkades

Als de voorkant van een paard goed ‘be­ dienbaar’ is, kun je de schouders mee opzij nemen in een schoudervoor of schouder­ binnenwaarts positie. Daarin kun je met je binnenkuit het binnenachterbeen stimuleren verder naar voren te treden. Een uitstekende manier om tot meer draagkracht achter te komen. “Mits je niet blokkeert in je hand”, waarschuwt Johan. “Verstoring in de boven­ lijn door blokkades zorgt ervoor dat het ach­terbeen niet verder doortreedt en dan heeft de oefening geen nut. Een been kan alleen naar voren als een paard zacht en smeuïg is aan de binnenkant.”

Er zijn veel ruiters die proberen een paard meer op de achterhand te krijgen door de hals met de hand omhoog te trekken. “Dat werkt niet”, concludeert Johan. “Als je met de hand begint, blokkeer je de bovenlijn en komt het achterbeen niet naar voren. Het moet an­dersom. Je moet beginnen met die achterbe­nen naar voren te rijden. Als het paard meer gaat dragen, wordt hij vanzelf lichter in de hand. En ik bedoel dus niet dat je heel hard moet gaan, want dan jaag je het paard juist van het achterbeen af. De voorwaartse impuls vang je zachtjes op aan de voorkant, zodat de energie in het paard blijft en het evenwicht verplaatst naar de achterhand.”

Johan noemt de hals van een paard een ‘ba­ lanceerstok’ en een drukregelaar. “Als de hals uitgelegd is, dus niet met de hand in elkaar wordt getrokken, kan een paard met zijn achterbenen doortreden naar voren. Helaas zie ik toch veel ruiters te veel dwin­gen met hun handen. Omdat ze op hun pro­tocol ‘meer verzameling’ of ‘ronder’ zien staan. Maar dat oplossen is een kwestie van meer tijd, geduld en scholing op de juiste manier.”

Hoe paarden ook zijn gebouwd, ze kunnen allemaal in horizontaal evenwicht worden ge­ reden. Tenzij er een lichamelijk mankement in hals, rug of benen zit. Johan wijst erop dat er wel rassen zijn die door hun bouw meer moeite hebben om in horizontaal evenwicht te komen. “Als ze erg tuigtypisch zijn, is het meer werk. Maar het kán wel. En je moet er ook altijd naar streven, want het is beter voor hun gezondheid als ze niet constant hun voorbenen meer belasten.”

Meer lezen van Bit? Neem dan nu een abonnement of koop een losse editie van het magazine in de webshop!

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant