-

Het ideale dressuurkontje

Arnd Bronkhorst

De stuwing en kracht van het paard komt vanuit zijn achterhand. Daar zit de aandrijving, de motor. Hoe ziet de ideale en functionele achterhand van een dressuurpaard er uit? Leer van fokkerijdeskundige Frenk Jespers.

De achterhand, het gedeelte van de heup tot en met de hoef, is een belangrijk onderdeel van het paard. “Hoe beter deze achterhand is gebouwd, hoe minder je (rijtechnisch) hoeft te corrigeren. De ideale bouw van een dressuurpaard staat vaak ter discussie binnen de warmbloedfokkerij. Perfectie vind je zelden, maar je zoekt er wel naar”, vertelt fokkerijdeskundige Frenk Jespers . “Je kijkt altijd naar het gehele paard. Al heeft het dier een goede achterhand, maar is de verbinding met de rest minder of is hij neerwaarts gebouwd? Dan blijft het een moeilijk verhaal. Het is de combinatie van de voor-, midden- en achterhand.” Hieronder lees je hoe de bouw van een ideale achterhand eruit hoort te zien, maar zo’n mooie kont is volgens Jespers geen garantie voor succes. “Er zijn meerdere factoren die van invloed zijn, zoals het karakter van het paard en degene die erop rijdt…”

De croupe

Als eerste bekijken we de croupe; dit is de kruisligging van het paard. “Belangrijk is de lengte van de croupe. Ga niet de mist in door de bovenlijn te bekijken! De lengte van de croupe kun je bepalen door middel van een denkbeeldige lijn. Deze lijn trek je vanuit het heupbeen en zitbeen loodrecht naar beneden, de afstand tussen deze twee lijnen bepaalt de lengte. Hoe langer deze lijn, hoe beter. De croupelengte kan nooit te lang zijn, maar moet wel in proportie staan met de rest van het lichaam. Lengte in de kruisligging stelt het paard in staat om zijn achterbeen naar voren te kunnen brengen. De croupelengte is bepalend, net als de lengte van het voorbeen, deze kun je niet veranderen door training. Wel kun je spieren ontwikkelen. Naast de croupelengte heb je de croupeligging. Je trekt een lijn van het heupbeen naar het zitbeen. Is de lijn van de heup naar de zitbeenknobbel erg afhangend, dan spreek je van een hellende croupe. Het tegenovergestelde van hellend is een rechte, platte croupe. Ideaal is een lijn die er tussenin ligt. Laat een hoge staartinplant het beeld niet vertekenen. Je trekt geen lijn naar het staartbeen, maar naar het zitbeen.”

Bilspier

De bilspier, ook wel broekspier genoemd, begint onder de staart en loopt in een bolle lijn door tot in de schenkel. “Ik zie graag dat deze spier zover mogelijk doorloopt in de schenkel. Dit stelt het paard in staat het achterbeen ver naar voren te brengen. Een bilspier kan niet te lang zijn, net zoals een voorbeen niet te lang kan zijn. Iedereen wilt daar toch lengte in hebben, maar ook hierbij moet de lengte van de bilspier in verhouding staan met de rest. Een korte bilspier is niet wenselijk, het beperkt de lengte van de passen. De lengte van de bilspier kun je moeilijk veranderen, wel meer ontwikkelen.”

Staart

Een paard hoort zijn staart netjes recht te dragen. “Het is een verlengde van de rug. Een te ontspannen of gespannen staartdracht is niet wenselijk. Een paard dat in de wending of continue zijn staart naar links of rechts draagt, is ook minder mooi. Ideaal is een staart die recht achter de wervels, als een verlengde, wordt gedragen.”

Hoek achterbeen

De lijn van het kniegewricht naar het spronggewricht naar de kogel bepaalt de hoek van het achterbeen. “Zorg dat het paard goed is opgesteld als je deze hoek wilt beoordelen. Je beoordeelt het paard op zijn standbeen. Een te krom (de hoek in de sprong is te klein) of te steil (de hoek in de sprong is te groot) achterbeen is niet gewenst. Een paard met een krom achterbeen houdt deze hoek als hij gaat bewegen. Dat lijkt in eerste instantie misschien mooi, maar belangrijk is dat het paard het spronggewricht dan ook buigt en dat is soms niet het geval. Bij een paard met een steil achterbeen zie je vaak weke koten. Ideaal is een hoek die er tussenin ligt, dus niet te krom of te steil.”

Stand achterbeen

Een achterbeen hoort onder de massa te staan. “Een paard met achterbenen die onder de massa staan, kun je makkelijker verzamelen in de dressuur. Een achterbeen dat achter de massa staat, moet van ver komen en dat is moeilijk om er onder te rijden. Het duwt van nature te veel en draagt te weinig. Een dragend achterbeen zien we graag in de fokkerij en is in de dressuur een vereiste voor verzameling.”

Buiging gewrichten

De buiging in de gewrichten is belangrijk. “Een paard dat zijn achterbeen weinig buigt, is weinig atletisch. Overdreven buiging is eveneens ongewenst (krampachtig, krampentrekker, hanentred). De buiging hoort in beide achterbenen gelijk te zijn. Aan dit verkrampen of ongelijk buigen kun je moeilijk iets veranderen, zowel rijtechnisch als veterinair.”

Kootstand

“De kootstand is de hoek die de koten met de bodem maken. In de fokkerij zien we bij een dressuurpaard graag lengte in de koot vanwege de vering. Steile en weke koten zijn extremen, dat wil je niet. Korte, steile (kogel staat recht boven de hoef) koten geven vaak stugge bewegingen. Een weke koot zakt te veel door. De kogel ligt lager dan gewenst, waardoor de pezen van de pijp te veel belast worden. Slijtage is het gevolg. Ideaal is een kootstand die er tussen in ligt, de koot maakt een hoek van ongeveer 45 graden met de bodem.”

Knie

De knie is moeilijk te beoordelen, vanwege de ligging. Wat je wel kunt beoordelen is de stabiliteit. “Zowel in beweging als op stand hoort de knie mooi opgesloten te zitten tussen de banden. Veel speling in de knie is niet goed, deze hoort stabiel te zijn.”

Spronggewricht

Het spronggewricht is een belangrijk onderdeel van de achterhand. “Deze hoort goed ontwikkeld te zijn en in verhouding met de rest van het paard. Het spronggewricht hoort ook voldoende hard en droog te zijn, omdat het gewricht veel beweegt en buigt. Dit kun je vergelijken met het kniegewricht. Of het gewricht hard genoeg is, kun je zien aan de huid. Deze hoort direct over het bot te gaan, dus zonder dat er ophopingen van vocht tussen zitten. Daarnaast zijn er diverse ongewenste afwijkingen die een paard kan hebben aan het spronggewricht, zoals bolspat, hazenhak en reebeen.”

Pijpbeen

“Dat is het been tussen het spronggewricht en de kogel. De insteek van het pijpbeen in het spronggewricht hoort mooi vloeiend te lopen. Dus niet hoekig. Dit kun je goed beoordelen vanaf de zijkant. De lijn van de hak naar de kogel (achterkant pijp) hoort kaarsrecht te zijn.”

Heupen

Als je recht achter het paard staat, kijk dan naar de stand van de heupen. “Staan beide heupen op gelijke hoogte? Controleer ook de heupstand als het paard beweegt. Het moet daarin gelijk zijn. Als je een groot verschil in de bespiering ziet, is er meestal iets aan de hand. Het kan een medisch of erfelijk probleem zijn dat je moeilijk kunt herstellen.”

Rechte lijn

“Als je kijkt naar de achterhand als het paard van je wegloopt, dan hoort de afdruk van de achterbenen op de lijn van de voorbenen te komen. Mooi recht en niet te wijd of te nauw. Loopt het paard iets wijd, dan kun je door training dit wel wat nauwer krijgen, maar een nauwlopend paard krijg je moeilijk wijder.”

Stabiliteit

Wat je ook goed kunt beoordelen als je achter het paard staat, is de stabiliteit van de achterbenen. “Vooral het spronggewricht en de kogel. Deze horen, als het paard beweegt, recht en stabiel te blijven. Het hoort niet te draaien of wiebelen. Het spronggewricht en de kogel horen resoluut van achter naar voren neergezet te worden. Deze stabiliteit kun je door training verbeteren. Ook de hoefsmid kan hierbij een belangrijke rol spelen.”

Dit artikel stond in Bit 149.

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant