-

Deel 2: Werk aan de lange teugel

Lange teugel met Bastiaan de Recht
Fleur Louwe

“Werk aan de lange teugel is de kroon op het werk van een africhter. Het is een goede aanvulling op de training onder het zadel”, stelt klassiek trainer Bastiaan de Recht van trainings- en revalidatiecentrum Equiscio. In deze driedelige miniserie leert hij je alles over het werk aan de lange teugel. Dit deel gaat over draf en galop. Hoe maak je deze klein genoeg voor langeteugelwerk zonder impuls te verliezen?

Voor de eerste draf aan de lange teugel dient je paard nageeflijk te kunnen stappen en draven aan de dubbele longe. Ook moet hij verzameld kunnen draven zonder verlies van impuls. Het draftempo aan de lange teugel ligt namelijk erg laag. Je moet het in looppas bij kunnen houden. Nageeflijkheid is altijd prioriteit. Alleen vandaaruit kan je paard de wervelkolom (bovenlijn) ontspannen en de onderlijn (buik, borst, spieren) aanspannen.

Bij de eerste aanzet naar draf moet de ruiter voelen of het paard nageeflijk blijft of dat hij weerstand geeft op het bit. Bij weerstand staak je de overgang en herstel je eerst de nageeflijkheid. Daarna kun je een nieuwe poging ondernemen. Het eerste stuk draf moet namelijk meteen goed zijn. Zeker aan de lange teugel is het moeilijk om na een slecht begin te herstellen. Het maakt niet uit hoe vaak de overgang herhaald moet worden. Door herhalen en corrigeren leert het paard een betere oplossing te zoeken. Of het paard meteen een goede overgang maakt, is ook afhankelijk van de reactie voorwaarts op je stem, de drijvende teugel en het zweepje. Dit moet aan de dubbele longe, onder het zadel of aan de hand al goed geconditioneerd zijn.

Natuurlijk kan je paard niet meteen in een perfecte verzamelde draf lopen. Je kunt ervan uitgaan dat de eerste draf nog te snel gaat om bij te wandelen. Om hem niet onbedoeld te straffen voor zijn goede overgang naar voren, wil je niet aan de teugels trekken. Je moet dus voldoende mee naar voren komen, desnoods rennend, om een zachte aanleuning te kunnen bewaren zonder dat je paard een ruk in zijn mond krijgt. Daarna kun je terugwerken naar een verzameld tempo, waarbij je steeds let op impuls. De draf moet er kwiek uitzien en niet sloffend en traag. Dit kun je bereiken door te schakelen.

De eerste galop

Het werk aan de lange teugel vraagt om een zeer verzamelde galop, de schoolgalop. Een galop zonder zweefmoment, maar wel in drietakt. Deze galop kun je aan de dubbele
longe, onder het zadel of aan de hand al ontwikkelen.

Galop lange teugel

Tijdens het aanleren van de galop loop je aan de binnenkant van je paard.

Tijdens de eerste fase van het aanleren van de galop loop je aan de binnenkant van je paard en houd je je handen in middenpositie. Later kun je de buitenpositie (lichaams- en handpositie) gebruiken voor de binnengalop en de binnenpositie (lichaams- en handpositie) voor de contragalop. Zo kun je steeds aan de buitenkant de hulp geven die normaal het buitenbeen geeft. Voor het aanleren van galopwissels is het essentieel dat je paard dit kent. Zaak is dat je paard eerst leert aangalopperen op een veilige manier. Daarvoor is het van belang dat hij al goed op de stemhulp ‘galop’ reageert. Dit kun je aanleren aan de longe, de dubbele longe, onder het zadel, aan de hand of voor de menwagen.

Voordat je aangaloppeert, moet het paard geleerd hebben de energie uit een voorwaartse hulp niet helemaal vlak naar voren te richten. De eerste galop moet namelijk direct zo veel mogelijk omhoog aangesprongen zijn, zonder enorme versnelling. Ook dit bereik je door middel van schakelen. Door het paard eerst meer op de achterhand te brengen in draf, galoppeert hij na het schakelen meer aan vanuit de achterhand met meer begrenzing aan de voorhand, waardoor hij meer omhoog aangaloppeert en minder naar voren.

De handigste plek om het aangalopperen te vragen is aan het einde van de lange zijde. Een paard loopt daar immers tegen de wand van de korte zijde op, wat hem visueel afremt. Hij moet bovendien de hoek door, wat hem al meer op het binnenachterbeen zet, waardoor hij dus meer verzamelt. Dit kan ook voor de tweede hoek, dus bij A of C, gedaan worden. Op alle andere plekken galoppeer je juist de ruimte in en mis je de natuurlijke begrenzing van de wand en de hoekdraai.

Patroon

Wanneer dit steeds beter lukt en je paard in galop al wat meer verzamelt, kun je op de twee bovengenoemde plekken aangalopperen als patroon, zodat het paard weet dat hij na de hoek alweer terug naar draf moet en daarna weer in galop moet aanspringen. Hij bereidt zich dan voor in zijn lichaam omdat hij het patroon herkent en raakt daardoor automatisch meer verzameld. De korte stukjes galop en de vele overgangen zijn de weg naar een meer verzamelde galop.

De volgende stap is om dat te doen op de volte en daarna op de hele hoefslag. Wanneer je controle hebt over het tempo in de korte stukjes galop kun je deze stukjes steeds langer maken. Als je paard dan toch weer gaat versnellen, kun je een overgang maken terug naar draf, hem verzamelen en hem opnieuw laten aangalopperen. Overgangen en schakelen zijn hier dus ook weer de tools om een constante verzamelde galop te creëren.

Manier van lopen

Om de draf en de galop bij te benen, moet je snel kunnen lopen, zonder te rennen. Normaal bewegen onze armen diagonaal mee met onze benen als we lopen. Nu moeten onze handen stil zijn ten opzichte van het paard. Ze moeten onafhankelijk zijn van het lopen en van ons lichaam om hem niet te storen in de mond.

Manier van lopen bij lange teugel

Maak grote passen in een rustig ritme

Om harder te lopen zijn we gewend met het bovenlichaam iets naar voren te hellen en vaak gaan we dan snellere en kortere passen maken. Nu moeten we het bovenlichaam rechtop houden met de borst vooruit en het bekken iets gekanteld (in flexie). Hierdoor kunnen onze benen verder naar voren geplaatst worden en kunnen we grotere passen maken. Het is belangrijk om in een rustig ritme te lopen met deze grote passen.

Zijgangen

Als een paard de zijgangen onder het zadel al kent, is dat een voordeel. Paard en ruiter hoeven dan alleen nog maar te leren hoe de hulpgeving aan de lange teugel werkt.

Schouderbuitenwaarts

Schouderbuitenwaarts is het begin van alle andere zijgangen. Het is een vrij eenvoudige zijgang om mee te beginnen omdat je gebruik kan maken van de wand als begrenzing. Schouderbuitenwaarts doe je in middenpositie met tevens de handen in middenpositie. Je kunt hierbij vlak achter het paard lopen of op enkele meters afstand.

Het paard heeft inmiddels geleerd te wenden en is stuurbaar. Hij heeft ook geleerd zich tussen de teugels te vormen. Daarbij hebben we gezien dat als we naar links lopen achter het paard en de teugels meenemen, we hem naar rechts sturen, en andersom. Als je linksom langs de hoefslag gaat, ga je links van je paard lopen en neem je de achterhand door middel van de teugels mee. in principe stuur je je paard daardoor naar rechts. Daar staat echter de wand dus hij kan niet wenden en zal alleen schuin op de hoefslag komen te staan. Vervolgens kun je met de rechterteugel licht drijven om je paard te stimuleren te blijven lopen. De linkerteugel vibreert daarbij naar links om hem de ‘weg’ te tonen waar hij wel naartoe kan. Met de rechterteugel houd je, wanneer nodig, iets druk tegen de achterhand als die weer te recht wil worden langs de wand. Wanneer je paard daarop reageert, moet je de druk weer loslaten, anders draait je paard te veel schuin door.

Met deze combinatie van hulpen stel je je paard zo schuin en voorwaarts in als nodig is tot hij in balans blijft in een mooie schouderbuitenwaarts op drie of vier sporen. Dit doe je op beide kanten. Op deze wijze leert hij het concept voorwaarts-zijwaarts gaan en de bijbehorende hulpen. Ook kun je hem met schouderbuitenwaarts fysiek trainen en gymnastiseren voor de andere zijgangen. Het paard wordt lateraal gebogen en leert kruisen en openen met de benen.

Schouderbinnenwaarts

Als je schouderbuitenwaarts op de tweede hoefslag of middenlijn kunt uitvoeren, zonder steun van de wand, kun je ook schouderbinnenwaarts uitvoeren. Het is precies dezelfde oefening, alleen andersom. Je loopt in de binnenpositie. Je handen kunnen variëren tussen binnenpositie en middenpositie. Dit is de positie met de meeste controle. Als je paard van de hoefslag af loopt, kun je hem zo sneller weer recht krijgen. Dit is uiteindelijk ook de gewenste positie.

Schouderbinnenwaarts aan lange teugel

Draai ook je lichaam schouderbinnenwaarts

• Zelf draai je je lichaam schouderbinnenwaarts.
• Je neemt met de binnenteugel iets stelling en de buitenteugel geeft daar ruimte voor.
• Tegelijkertijd ‘drukt’ de buitenteugel het paard iets met de schouder van de hoefslag.
• Ook leidt de buitenteugel het paard met vibraties en/of lichte druk in de richting die hij lopen moet.
• De binnenteugel zorgt niet alleen voor stelling en schouders naar binnen, maar geeft ook iets drijvende kracht richting de buitenteugel, Wat het binnenbeen van de ruiter rijdend zou doen.
• Stem alles af tot je paard in balans op drie of vier sporen schouderbinnenwaarts loopt.

De volgende positie kun je gebruiken als je paard juist aan de wand blijft plakken en moeilijk in schouderbinnenwaarts de hoefslag af te draaien is.
• Zelf draai je je lichaam schouderbinnenwaarts.
• Je neemt met de binnenteugel iets stelling en de buitenteugel geeft daar ruimte voor.
• De binnenteugel haalt je paard meer van de hoefslag dan in de middenpositie.
• De buitenhand ligt nu boven de binnenknie van het paard en kan daar druk geven om de achterhand naar buiten te drukken, waardoor de schouders relatief makkelijker naar binnen komen.
• De buitenteugel geeft voldoende ruimte om naar binnen te draaien.
• De binnenteugel drijft het paard.
• Stem alles af tot je paard in balans op drie of vier sporen schouderbinnenwaarts loopt.

In deze positie kun je minder contact houden op de buitenteugel en moet je meer vanuit de binnenteugel halen. Het is zo moeilijker om een gelijk verdeeld contact op beide teugels te houden en om een goede aanleuning te bewaren. Deze positie kan bij aanvang helpen om het paard ‘schuin’ te krijgen doordat je de achterhand wat naar buiten kan drukken.

Travers

Bij travers loopt de voorhand recht over de hoefslag en is de achterhand naar binnen gebogen. Het paard is naar binnen gesteld en gaat op vier sporen. De achterbenen kruisen, de voorbenen niet.Travers aan de lange teugel

Je loopt hierbij in buitenpositie en hebt je handen ook in buitenpositie.
• Het paard heeft eerst stelling naar binnen nodig.
• De binnenteugel, die stelt, loopt richting de knie van je paard en geeft zijwaartse druk op de plek waar het buitenbeen van de ruiter dat anders doet.
• De buitenteugel zorgt dat het paard op de hoefslag blijft en bepaalt de hoogte van het hoofd.
• Zelf neem je de plaats van de achterhand in.
• Het meer aannemen van de buitenteugel en het verhogen van zijwaartse druk met de binnenteugel tegen het lijf laten de achterhand meer naar binnen draaien.

Appuyeren

Appuyeren (zie openingsfoto) is travers op een diagonale lijn. Je moet dus eerst het hoofd, de hals en de schouders van paard op de diagonaal richten en dan travers rijden alsof je dat doet langs een muur die langs de diagonaal gebouwd is. In travers en bij het appuyeren aan de lange teugel mis je het binnenbeen waarmee je het paard lateraal buigt en ook begrenst in het opzij vallen. De binnenteugel kan deze functie deels overnemen. Wanneer je paard correct gesteld is, ligt de binnenteugel tegen de binnenschouder van het paard. Hiermee kun je de binnenschouder een beetje terughalen als het paard te veel opzij gaat in het appuyeren.

Video’s

Op YouTube zijn meerder instructievideo’s van Bastiaan de Recht te bekijken over het werk aan de lange teugel. In deel 3 van deze instructievideo’s worden de zijgangen in stap en een begin met aandraven gedemonstreerd. Tijdens deel 4 wordt hier nog een schepje bovenop gedaan door de oefeningen in galop te demonstreren.

Eerst nog wat meer leren over de basis? In het eerste deel van deze serie wordt dit uitgebreid behandeld.

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant