-

Aan de slag zonder ruiter: vrijspringen!

Arnd Bronkhorst

Dressuren, wandelen, buitenrijden, longeren en springen: afwisseling maakt je paard blij. De meeste ruiters draaien hun hand niet om voor die eerste vier dingen, maar sommige krijgen de kriebels van springen. Wat nou als jij net een paard hebt dat springen onwijs leuk vindt? Wees niet getreurd: je kunt je paard met springambities ook in z’n uppie aan het werk zetten: met vrijspringen!

Vrijspringen is niet alleen een leuke manier om je paard af en toe fijn te laten springen, het is ook nog eens goed voor zijn lichaam! Het ontwikkelt zijn souplesse, balans en coördinatie, zonder dat een ruiter het paard daarbij in de weg kan zitten. Lijkt het je wel wat om met vrijspringen aan de slag te gaan? Neem dan deze info en slimme tips tot je!

Een correct lijntje bouwen

Bouw je hindernissen op in een bak met een stevige omheining en een goede, niet te zware bodem. Je kunt bij het opstellen van je lijntje slim gebruik maken van de bakrand, door de hindernis daar tegenaan te zetten. Plaats een paar extra balken aan weerzijde van de sprong of gebruik een paar extra staanders met balken of lint om het lijntje af te zetten, zodat je paard niet kan uitbreken. Plakt je paard heel erg aan de bakrand? Leg dan ook aan de kant van de bakrand een losse balk schuin op de hindernis, waarmee je hem meer richting het midden van de sprong stuurt.

Zorg er altijd voor dat je paard genoeg ruimte heeft om zich zowel voor als na de sprong recht te stellen: zorg dat er zeker 7 meter ruimte over is – dat zijn ongeveer twee galopsprongen.

Je kunt het lijntje zo creatief maken als je zelf wilt. Vaak staan er twee hindernissen in het lijntje, met daartussen minstens twee galopsprongen. De eerste hindernis is een simpel kruisje of een lage steilsprong en de laatste hindernis wordt meestal tot een oxer uitgebouwd. Houd de eerste hindernis simpel: deze sprong moet je paard uitnodigen om het lijntje in te lopen. De andere hindernis kun je spannender maken door er plankjes in te hangen of hem hoger of breder te maken.

Wist je trouwens dat paarden het makkelijker vinden om gekleurde hindernissen te springen? De kleur helpt je paard bij het inschatten van de hoogte en juiste afstand. Leg altijd een grondbalk onder de hindernis en plaats voor, na of tussen de hindernis een balk om het juiste ritme te bepalen.

Heeft je paard nog nooit vrijgesprongen of vind je het nog lastig om de hindernissen op de juiste afstand te zetten, maak het je dan niet te moeilijk: ook met een paar grondbalkjes of één kruisje kunnen jij en je paard een hoop plezier hebben!

Aan de slag

Wil je een keertje je paard vrij laten springen? Trommel dan een of twee stalgenoten op: om je paard met een goed ritme door het lijntje te sturen is een helpende hand altijd welkom. En je kunt er nog een gezellig middagje van maken ook! Neem altijd een longeerzweep in de hand, maar gebruik die zweep niet om je paard op te jagen. Net als bij het springen onder ’t zadel drijf je het paard alleen een beetje aan waar nodig. Soms is een aanmoediging met je stem al genoeg!

Net als wanneer je gaat rijden, moet je jouw paard voor het springen goed opwarmen. Dat kun je aan de longeerlijn doen of je laat het paard vrij bewegen in de bak. Waar je ook voor kiest: stuur het paard eerst een aantal keer door het lijntje voordat je de hindernissen opbouwt.

Begin simpel. Zet een laag kruisje neer en laat het paard een paar keer door het lijntje galopperen, zodat hij weet wat de bedoeling is. Bouw het lijntje vervolgens langzaam uit door de hindernis hoger te maken of om te bouwen tot een oxer. Je eerste hindernis blijft altijd een simpel kruisje of een lage steilsprong: deze sprong moet je paard uitnodigen om het lijntje met vertrouwen in te lopen.

Vrijspringen is erg intensief voor je paard: rond het springen dan ook af wanneer het goed gaat. Je sluit je training positief af door je paard nog een keertje over een lage sprong springen en hem daarna nog wat te laten draven. Stap je paard aan de hand uit en beloon hem natuurlijk uitvoerig voor z’n inzet!

Een voorbeeld van een lijntje dat is afgezet met lint. Langs de bakrand staan schuine balken om te voorkomen dat het paard aan de rand plakt. De eerste hindernis is een simpele sprong met grondbalk, daarna volgt op één galopsprong een steilsprong en daar achter staat op twee galopsprongen een oxer. Foto door Arnd Bronkhorst.

Techniek trainen

Natuurlijk is vrijspringen een leuke manier om erachter te komen hoe hoog je paard kan springen. Maar wist je ook dat het een hele nuttige, intensieve training kan zijn? Door het bouwen van technische lijntjes leert je paard niet alleen zijn afstand aan te passen zonder ingrijpen van een ruiter, maar je kunt er ook zijn springtechniek mee verbeteren. Een paar leuke lijntjes en sprongen die je in je training kunt verwerken:

  • Maak een lijntje van drie of meer hindernissen op relatief korte afstand – in-uitjes dus eigenlijk – om een paard te leren goed te basculeren. Bij basculeren brengt het paard zijn hoofd omlaag en maakt het zijn rug rond boven de sprong.
  • Met een brede oxer in het lijntje leer je het paard om niet alleen naar boven, maar ook naar voren te springen. Het bevordert de bascule en leert je paard om zijn benen op het juiste moment in te trekken en uit te vouwen.
  • Door twee balken in een V-vorm op de hindernis te leggen, kun je je paard leren om minder te slingeren in een lijntje.
  • Met een lijntje van drie of meer hindernissen die oplopen in hoogte kun je een flegmatiek paard stimuleren om voorwaarts door het lijntje te lopen.
  • Een heel vlug en hectisch paard kun je daarentegen weer wat tot bedaren brengen door het plaatsen van balken tussen de hindernissen of het variëren van de afstanden tussen de sprongen.
  • Door een oxer midden in je lijntje te plaatsen met daarachter op relatief korte afstand een steilsprong, leer je jouw paard om zijn voorbenen snel in te trekken en krachtiger af te zetten met zijn achterbenen.

Oeps!

Paarden blijven paarden, dus er kan altijd iets fout gaan. Stopt je paard in het lijntje? Laat hem dan vooral niet omdraaien en terugrennen. Het paard moet leren dat er maar één uitweg is en dat is dóór het lijntje heen. Soms zal je daarvoor de laatste hindernis helemaal omlaag moeten zetten. Beloon je paard met je stem wanneer hij door het lijntje is en probeer het daarna nog een keertje, desnoods op een lagere hoogte.

Merk je dat je paard heet wordt of juist nerveus? Doe dan een stapje terug. Natuurlijk is het leuk om te testen hoe hoog je paard kan springen, maar jaag hem niet over zijn eigen kunnen heen. Pas de hoogte en technische uitdaging van de hindernissen aan op het trainingsniveau van je paard, om te voorkomen dat hij vertrouwen verliest in het springen. Ging het niet helemaal zoals je had gehoopt? Sluit dan je je training positief af door je paard nog één keertje over een lage hindernis te laten springen. Beloon je paard uitvoerig: het is belangrijk voor het vertrouwen dat je paard weet dat hij ondanks z’n foutjes zijn best heeft gedaan.

Bron: Bitmagazine.nl, Equinewelnessmagazine.com

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant