-

Waarom struikelt mijn paard

Paula da Silva

“Het paard moet beter opletten. Werk aan de coördinatie en geef hem een schop onder zijn kont”, roept iemand. Maar is dat een juiste constatering als een paard regelmatig struikelt? Volgens dierenarts Frans van Toor en hoefsmid Naomi Weissenbach zijn er wel degelijk redenen om aan de bel te trekken als jouw paard struikelt. Wat kan er aan de hand zijn en – en nog belangrijker – wat is de oplossing?

“Het is volslagen onzin dat een paard struikelt omdat hij niet oplet. Daar geloof ik helemaal niet in”, zegt paardenarts en bewegingsspecialist Frans van Toor. Hij noemt meteen een uitzondering. “Als een paard atactisch is, is er een probleem in de geleiding van de zenuwprikkel, dus zowel gevoel als de beweging is aangetast. Wordt zo’n paard flink geprikkeld, dan kan het best zijn dat hij beter beweegt. Ataxie kan een reden zijn voor struikelpartijen, maar dat is meestal niet het eerste waar je aan moet denken. Voeten, beslag, pijn in het kogelgewricht, pijn in het hoefgewricht en de voornaamste: problemen met de interossius, oftewel de tussenpees, dat zijn de zaken die in mij opkomen bij een vaak struikelend paard. En dan vooral daar waar die tussenpees aanhecht aan het bot, vlak onder de voorknie.”

Van Toor heeft een goede uitleg waarom een paard met een probleem in zijn onderbenen meer struikelt. “Als je lang op je tenen loopt, krijg je vanzelf kramp in je kuiten. Je kunt op die manier minder doorveren. Loop je zo ook nog eens over een ongelijke bodem, dan struikel je eerder.”

Bij een struikelend paard denkt Van Toor altijd als eerste aan een probleem in het kogel-draagapparaat. De alarmbellen gaan vooral af als het onder het zadel gebeurt, terwijl een paard netjes aan de teugel in balans loopt. “Dan moet er controle zijn over de beenbewegingen. Onbelast aan de longeerlijn in een ongelijke bak of aan een lange teugel stappend, missen alle paarden weleens een pas. Is dat één keer, dan is er niet zoveel aan de hand. Waar je vooral op moet letten zijn de overgangen terug, bijvoorbeeld van draf naar stap of van galop naar draf. Struikelt het paard daarbij, dan is er meestal iets mis in het been, waardoor hij zich niet goed opvangt.”

Te kleine schoenen

Struikelen met de achterbenen komt volgens Van Toor nauwelijks voor. “Een paard kan wel even door een achterbeen zakken. Maar je hebt daar het zogenaamde ‘spanzaagmechanisme’. Als de knie buigt moet het spronggewricht en de kogel ook buigen. Dus als een paard mispassen maakt met een achterbeen, kan er een probleem ergens in dat hele been zitten. Maar meer dan zestig procent van al het gewicht komt op de voorhand. Dus struikelen gebeurt bijna altijd voor.”

Ook als een paard verder niet onregelmatig gaat, maar alleen af en toe struikelt, is dat volgens Van Toor reden om een paardenkliniek op te zoeken met een deskundige orthopedische arts. “Als je op twee te kleine schoenen loopt, maak je met je beide voeten kleine pasjes, die op zich niet onregelmatig hoeven te zijn. Maar goed is het niet. Rijd je door met een struikelend paard, dan kan het zijn dat je een lichte blessure verergert.”

Wordt door onderzoek bekend dat bijvoorbeeld de tussenpees van het voorbeen licht is aangetast, dan is daar met aangepast beslag veel aan te doen. Van Toor: “Je kunt met een speciaal ijzer de spanning op zo’n plek weghalen. Je hoeft heus niet met elke peesblessure een paard een half jaar rust te geven. Door dit soort maatregelen kun je een paard in beweging houden.”

Hoefsmid

Een belangrijke maatregel om problemen te voorkomen is volgens Van Toor het regelmatig laten komen van de hoefsmid. “Door daarop te bezuinigen ben je op de langere termijn duurder uit, als je een hoge dierenartsrekening krijgt. Het lijkt misschien lonend om een uitgave van over de honderd euro een paar weken uit te stellen. Maar een peesblessure pakt vele malen duurder uit. Het is verkeerde zuinigheid.

Laat de smid iedere zes tot maximaal acht weken komen. Zet de nieuwe afspraak meteen in de agenda, zodat je het niet vergeet. Echt, ik hoor het zo vaak dat mensen zeggen: de smid is pas nog geweest. En dan kijken ze het na en blijkt het al tien weken geleden. Ook als je geen ijzers hebt, is het belangrijk dat de smid regelmatig komt. Zeker als je soms op de harde weg rijdt of veel op zand. Schuurpapier heet in het Engels niet voor niets ‘sand paper’. Als de zool te dun wordt, worden de voeten gevoelig en gaat een paard daarnaar lopen. Hij probeert zijn voeten te ontlasten en struikelt.”

Goeroe

Volgens Frans van Toor is een andere wijze van rijden niet de oplossing bij struikelen. “Je moet echt eerst uitsluiten dat er een probleem is. Natuurlijk zijn er zeer beroerde ruiters, die een paard uit zijn evenwicht kunnen halen. Maar paarden zijn heel handig, dus zelfs dan is veel struikelen niet gewoon. Ik zou niet weten hoe ik als ruiter een paard zou moeten laten struikelen. Je kunt als ruiter wel veel verbloemen.

We hebben ooit zo’n goeroe gehad die zei dat hij hoefkatrol kon oplossen. Hij liet mensen op het verkeerde been lichtrijden. Dat nam de klacht niet weg, je zag alleen niet meer dat het paard kreupel liep.” De paardenarts vindt dat je altijd moet blijven redeneren vanuit het paard. “Is het een oud paard dat stijf is, dan kan ik me er nog iets bij voorstellen dat hij langer tijd nodig heeft om warm te worden. Daarmee moet je echt wel een half uur stappen op een veerkrachtige bodem, vergelijkbaar met de vloedlijn vlak langs zee. De meeste ruiters vinden dat een paard na tien minuten maar warm moet zijn. Dat is niet altijd zo.”

Invloed ruiter

Hoefsmid Naomi Weissenbach legt uit wat de invloed is van de bodem. “Tegenwoordig zijn de rijbodems vochtig en stroef, vergeleken met het stuifzand van de vroegere buitenbakken. Dat is niet automatisch beter voor alle paarden. Paarden met artrose of luiere types die hun benen niet graag optillen, duwden in die oudere bakken gewoon een wolkje zand voor zich uit. Die ‘haken’ zich juist vast in die nieuwe bodems.” Naomi legt uit dat paarden met een behoorlijke toontredende of Franse stand, waarbij de tenen naar elkaar toe of juist van elkaar af wijzen, ook kunnen blijven haken in zo’n vastere bodem.

Zeker als ze ook nog op de voorhand lopen. “In dat opzicht is de ruiter natuurlijk wel een factor. Bij een gezond paard speelt het niveau van africhting mee. Ik heb weleens een klant met een erg krom ‘bokbenig’, toontredend paard gehad, dat valpartijen kreeg in de prachtige dressuurbaan. Die heb ik verwezen naar de westernbak met het losse bovenlaagje. Het probleem was in één keer opgelost, daar had het paard geen last.”

Volgens Naomi kan de ruiter wel degelijk grote invloed hebben op het wel of niet struikelen van een paard. “Ik denk dat een ruiter die het paard met een slofteugel in de krul trekt en tegelijk blijft drijven, omdat hij denkt dat hij zo de achterhand eronder zet, wel degelijk een negatieve invloed op de balans heeft. Ook een fanatieke ruiter die een jong paard té intensief traint, kan zorgen dat het dier uit vermoeidheid struikelt.”

Verkeerde zuinigheid

Om te voorkomen dat de hoefbalans voor struikelpartijen zorgt is het niet alleen belangrijk dat een paard op tijd wordt behandeld door een hoefsmid, maar ook dat deze kundig en gediplomeerd is. Naomi: “De wand moet strak worden bijgewerkt. Wat je ook niet wilt, zijn veel te ruime ijzers met enorm garnituur. Dat is een extra brede rand rondom het ijzer. Ik noem dat wel eens cynisch ‘ouderwetse Hollands stijl’, uit zuinigheid geboren, zodat het paard er na tien weken nog niet overheen ploft. Maar dat creëert onnodig veel hefboomwerking, wat verstappingen en blessures in de hand werkt.”

Ze waarschuwt dat de steilheid van de hoef bij het paard moet passen. “De voetas is een denkbeeldige lijn van bodem tot kogel door het midden van de hoef. Die moet kloppen. Een te steile hoef kan tot drukplekken en zelfs hoornzuilen leiden met alle bijkomende ellende. Je hoort tegenwoordig veel mensen aan de smid vragen om het paard er mooi steil op te zetten, zodat het paard makkelijk afrolt. Maar dat is niet per definitie goed. Als dat niet bij de bouw van het paard past, wordt de gang er niet beter op. Zelf struikel je ook sneller als je voortdurend op je tenen loopt.”


Sander Marijnissen: evenwicht meer naar de achterhand

Paarden die veel struikelen worden door instructeur Sander Marijnissen altijd eerst naar de hoefsmid en de dierenarts doorverwezen. Als medisch en qua hoeven alles in orde is, gaat Sander aan de slag met het horizontale evenwicht.

Paarden die te veel op de voorhand lopen en daarbij op de hand van de ruiter hangen, kunnen snel struikelen. “Het evenwicht moet meer naar achteren worden verplaatst”, zegt Sander. Hij waarschuwt dat dat niet een kwestie van meer hand is. “De achterbenen moeten verder ondertreden. Maar dat is niet het enige. Het is een samenspel, want anders ga je alleen harder. Als je dat niet op de juiste manier aan de voorkant opvangt, met een elastische, verende verbinding, is het net alsof je het paard over een drempel duwt. Dan struikelt hij alleen maar meer.”

Overgangen rijden

Sander laat ruiters met dit probleem veel overgangen rijden, zowel van de ene gang naar de andere als binnen één gang. “Ik vraag ze de achterbenen te activeren en dat op te vangen aan de voorkant, waarbij je je ervan bewust bent dat je de balans naar achteren verplaatst. Dus je moet als ruiter niet voorover zitten. Dat is best lastig, want in die positie zet het paard jou wel. Bij zulke paarden moet je ook nooit zomaar ineens de teugels losgooien, want dan liggen ze op hun knieën. Zorg dat ze op eigen benen blijven lopen, terwijl je geleidelijk de teugels uit je hand laat gaan. Het paard mag nergens zwaar gaan leunen. Doet hij dat wel, pak de teugels dan weer korter en rijd opnieuw voorwaarts.”

Door het rijden van veel overgangen wordt ook gewerkt aan het verbeteren van de coördinatie van een paard. “Je verlangt van een paard een bepaalde attentheid bij het wegzetten van zijn benen. Struikelen heeft soms met de bodem te maken. Door al die super bodems van tegenwoordig worden sommige paarden gemakzuchtig. Als je dan eens in een wat zwaardere bak komt, moeten ze meer opletten. Zolang het gelijkmatig zwaar is, gaat dat wel. Ongelijke bodems of erg diep uitgesleten hoefslagen met zo’n rand ernaast vind ik een risico. Van struikelen kan een paard blessures oplopen. Ik schrik er wel eens van wat ik in sommige maneges zie. De bodem kun je toch egaal maken? Hiermee voorkom je een hoop leed.”


Bron: Bit 250

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant