-

Starten op een slechte bodem?

Fleur Louwe

Een knollenveld vol hobbels, een terrein vol plassen of een kurkdroge, harde bodem. Niet iedere wedstrijdbodem is ideaal. Wat doe jij in zo’n geval? Starten of huiswaarts keren?

Je hebt je verheugd op de wedstrijd, goed geoefend, je paard gewassen en ingevlochten en een eind gereisd om er te komen. Dan zie je de baan. Een knollenveld, waar je over de hobbels struikelt. Of een spekglad weiland met te lang gras, of een terrein vol plassen en modderpoelen waar je tot over de enkels wegzakt. Maar je hebt al die moeite gedaan en kosten gemaakt. Je concurrenten staan zuchtend hun paard op te zadelen. Wat is voor jou de limiet, wanneer besluit je huiswaarts te keren?

Pieperds

Springamazone Bianca Schoenmakers en eventingamazone Lielle van Laren zijn niet van die pieperds. “Paarden kunnen best tegen een beetje ongelijk terrein of modder. Mits je ze thuis niet alleen op een perfect geprepareerde bodem laat lopen, want dan kweek je kasplantjes die nergens tegen kunnen. Mijn paarden komen ook in de wei en ik rijd ermee buiten. Ze zijn gewend aan verschillende soorten ondergrond”, zegt Bianca. Ook Lielle start overal. “Maar op gras wel altijd met kalkoenen, anders is het te gevaarlijk. En soms kom ik voor de dressuur nog wel eens een maïsveld tegen. Dat is niet fijn rijden.”

Draagkracht

Bianca erkent dat het voor wedstrijdorganisaties niet altijd makkelijk is. Een week regen, niet ongebruikelijk voor Nederlandse zomers, kan roet in het eten gooien. “Ik snap wel dat organisaties een wedstrijd niet zomaar afgelasten, als er al veel voorbereiding in zit en kosten zijn gemaakt. Op het NK in Mierlo gooien ze gravel door het gras om voor meer draagkracht te zorgen. Maar als je land van een agrariër gebruikt, is dat geen optie. En het kost ook het nodige.

Wanneer ik omkeer? Dat hangt af van de paarden die ik bij me heb. Is het een jong paard dat nog onzeker is, dan zal ik dat eerder doen dan bij een ervaren dier. Maar welzijn gaat voor alles. Als het paard echt te diep wegzakt en niet meer van de grond af komt, houd ik de eer aan mezelf. Ook als ik er al op zit en zie dan dat het met de eerste paar combinaties nog wel gaat, maar dat de bodem daarna erg slecht wordt. Het gebeurt gelukkig niet vaak.” Lielle is wel eens omgedraaid. “Een te mulle of te gladde bodem begin ik niet aan. Bij twijfel niet doen, zeg ik altijd. In de cross zijn de risico’s groter dan bij dressuur of springen. De snelheid is hoger en de obstakels geven niet mee.”

Molshopen

Dressuuramazone en –trainster Christa Larmoyeur vindt dat de tijden zijn veranderd. En dat het niveau meespeelt. “Niet dat de bodem voor een B-proef slecht mag zijn, maar de eisen die worden gesteld aan een Grand Prix-paard zijn wel anders. Als je in die klasse een serie galopwissels om de pas moet laten zien op een terrein waar een paard zonder die kunstjes al moeite heeft met zijn balans, houd je weinig deelnemers over. Een zandbodem is trouwens niet automatisch een garantie dat het goed is. Die bodem kan ook te diep of niet veerkrachtig zijn.” Christa heeft niets tegen grasbodems. “Paarden lopen ook in de wei. Zolang er geen kuilen of molshopen in zitten kan het prima.”

Christa vindt dat wedstrijdorganisaties in Nederland erg hun best doen, maar dat het weer soms spelbreker is. “In Duitsland wordt vaak een laag zand op gras gegooid. Maar daar heb ik ook wel meegemaakt dat de laag niet dik genoeg was en dan ga je na een paar dagen regen alsnog aan het glijden.”

Wolkbreuk

Wim Dennenboom is de parcoursbouwer van SGW Bathmen in Overijssel. Hij ligt weleens wakker van het weer, als de datum van de wedstrijd nadert. Landelijke SGW’s worden vrijwel allemaal op agrarische grond en soms deels in het bos gehouden. De organisatie is qua terrein afhankelijk van wat beschikbaar wordt gesteld. “We proberen om een stuk te kiezen dat wat water kan hebben. En de dressuur is vaak op maïsland. Dat slepen we en de bodem wordt aangereden met de shovel. Maar veel meer kan je niet, je bent afhankelijk van wat je mag gebruiken.”

Zandgrond onder het gras biedt voordelen, zo vertellen Ton en Anneke Molenaar. Ze zijn twee van de drijvende krachten achter concours Schoorl, dat al 46 jaar wordt gehouden. “We moesten de wedstrijd eens twee uur stilleggen voor een wolkbreuk. Daarna werd het droog en konden we probleemloos verder. Helaas moesten we ook weleens afgelasten. Dat is een heel moeilijke beslissing, als je er al zoveel werk in hebt gestoken. Toch nemen we dat besluit wel, als we denken dat het welzijn van de paarden in het geding komt.” Ook in Schoorl is de organisatie afhankelijk van terrein van derden. “Je kunt er dus niet al te veel aan doen. Bemesten, maaien, dat is het zo’n beetje. Omdat de kans reëel is dat hier in de toekomst gebouwd gaat worden, gaan we niet investeren in dure zandbodems.”

Maatgevend

Volgens Wim Dennenboom zeuren eventingruiters niet zo snel. Hoewel, hoe hoger het niveau, hoe meer eisen er worden gesteld. Toch is de bodem ook voor de lagere klassen wel degelijk maatgevend. “Is die te slecht, dan komen de ruiters niet meer. Er zijn genoeg andere wedstrijden waar ze uit kunnen kiezen.” Ton Molenaar kan wel begrijpen dat sommige ruiters niet op gras willen starten. “Ze rijden tegenwoordig vaker op dure paarden van eigenaren. Zeker als die thuis op een luxe bodem worden getraind, willen ruiters op wedstrijd niet minder. Als een paard op drie benen thuiskomt omdat de ondergrond tricky was, zwaait er wat. Persoonlijk vind ik het wel jammer, gras ziet er mooier uit en als parcoursbouwer word je minder vies…”

Wie bepaalt?

De KNHS stelt geen objectief meetbare eisen aan een wedstrijdbodem. In artikel 7 van het wedstrijdreglement staat alleen dat een bodem geschikt moet zijn om een bepaalde discipline ‘verantwoord’ te kunnen beoefenen. Maar wat dan precies wel of niet meer verantwoord is, is niet aangegeven. Die beoordeling ligt bij de federatievertegenwoordiger. Bij zeer slechte omstandigheden bepaalt die, in overleg met de organisatie, of een evenement kan doorgaan. Zo niet, dan hebben deelnemers recht op teruggave van hun startgeld.

Nederland is mooi vlak en daar hebben we mee geboft. In het buitenland kom je op lager niveau soms wedstrijdringen op hellingen tegen. KNHS-persvoorlichter Jacques Verkerk vertelt dat er geen regels zijn voor hoe vlak een terrein moet zijn bij het springen, maar wel voor de dressuur. “Een glooiende ondergrond is voor een springparcours niet gevaarlijk of onverantwoord. Maar het is even wennen. Galopsprongen omhoog worden korter, galopsprongen omlaag worden langer. Paarden die netjes in de hand staan en een goede balans hebben, zijn dan in het voordeel. In het dressuurreglement staat dat het hoogteverschil in de lengte niet meer dan een halve meter en in de breedte slechts twintig centimeter mag zijn. En daarin staat ook dat er vanaf de Lichte Tour een voorkeur is voor een geprepareerde bodem. Bij kampioenschappen vanaf deze klasse is een geprepareerde zandbodem verplicht.”

Bron: Bit 216

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant