-

Stapje terug: achterwaarts

Arnd Bronkhorst

Vanaf de L2 tot in de allerhoogste dressuurproeven wordt achterwaarts gevraagd. Dat dit nog niet zo’n eenvoudige oefening is blijkt zelfs in de Grand Prix, waar lang niet alle deelnemers een foutloze uitvoering laten zien. Trainer Leunus van Lieren legt uit hoe het moet.

Correct achterwaarts gaan houdt in dat een paard actief en vierkant halt houdt en meteen op de hulp van de ruiter achteruit gaat, waarbij hij zijn benen diagonaalsgewijs optilt en neerzet. In de hogere dressuur wordt een bepaald aantal passen gevraagd, waarna het paard meteen weer voorwaarts hoort te gaan in stap, draf of galop. Zo wordt het, zelfs op Grand Prix-niveau, lang niet altijd getoond. “Juist op Grand Prix-niveau is het moeilijk”, vindt trainer Leunus van Lieren. “Daarin moet een paard met meer oprichting lopen. Die gedragenheid maakt dat het paard zijn achterbenen verder moet buigen om op de correcte manier achterwaarts te stappen, dat is nog lastiger.”

Hoewel vrijwel ieder paard kan leren om op commando achteruit te gaan, herinnert Van Lieren zich eentje die het niet deed, wat hij ook probeerde. “We zetten hem onder het solarium, maar we moesten buizen afbreken om hem weer uit de ruimte te krijgen. Als je dat paard in de trailer had, draaide hij zich om voor hij eruit kwam.”

Stemhulp

Achterwaarts is in de eerste plaats een gehoorzaamheidsoefening. Van Lieren haalt aan dat vroeger alle werkpaarden achterwaarts moesten kunnen, omdat ze zo voor de wagen of de landbouwmachines werden gezet. Los van de gehoorzaamheid heeft het als oefening een positief effect op de training. Door de beweging wordt het bekken gekanteld en de rug van het paard boller. De beweging zorgt ervoor dat de achterbenen onder het lichaam komen. Eigenlijk wat je wilt bereiken in de verzameling. “Als een paard daar nog niet aan toe is, gebruikt hij zijn benen niet correct diagonaalsgewijs. Daar is namelijk kracht in de achterhand voor nodig.”

De hulpen voor achterwaarts verschillen nogal. “Je kunt het een paard op allerlei manieren aanleren. Als je maar altijd hetzelfde doet. Vroeger werd het veel op de stem gedaan. Nu zie je mensen alleen druk op de teugel geven. Soms ontlichten ze de paardenrug door naar voren te zitten. Dat vind ik wel verstandig, dan maak je het opbollen makkelijker. Er zijn ook ruiters die hun onderbenen iets terug leggen en het paard voor begrenzen als hij voorwaarts wil. Eigenlijk maakt het niet uit wat je doet, als je paard maar snapt wat je van hem wilt. En je moet het wel af en toe herhalen. Als je de oefening een tijdje niet doet, wordt de reactie minder.”

Aan de hand

Ook voor het aanleren van achterwaarts worden verschillende manieren aangewend. Als een paard goed reageert op de beenhulpen voor voorwaarts en teugelhulpen voor terugkomen is het volgens Van Lieren niet moeilijk. “Je laat hem met impuls halthouden, dus zodat hij klaar is om weer weg te gaan. Dan geef je de hulp die je hebt bedacht voor achterwaarts en als hij op de juiste manier reageert, beloon je. Ook als hij slechts een klein beetje doet en misschien nog niet mooi recht gaat. Het paard moet immers eerst begrijpen wat je van hem wilt. Door het vaker te herhalen ga je het uitbouwen.”

Wil een paard niet achteruit, oefen het dan eerst aan de hand. “Geef desnoods een tikje met een zweep op het voorbeen, om te kijken of hij dat wil terugzetten. Beloon meteen als je aanwijzing goed wordt opgevolgd.” Bij het aanleren moet je spanning vermijden. Daardoor spant een paard zijn bovenlijn aan en kan de rug niet meer opbollen. Als je het in het begin langs een zijwand doet, heeft een paard daaraan steun en gaat hij minder snel scheef.

Scheef

Van Lieren vindt het niet erg als het paard de eerste keer scheef gaat, of slechts één stapje zet. “Dat is makkelijk te corrigeren. Het paard moet eerst begrijpen wat je van hem wilt. Als een paard scheef wegstapt, houd je hem recht door twee teugels opzij te doen, een beetje zoals je met een trailer achteruit rijdt. Als je het met één teugel doet, wordt hij juist schever. Duw nooit met je been terug. Je hoort de voorhand vóór de achterhand te plaatsen, niet andersom.”

Als een paard niet diagonaalsgewijs stapt, is het zaak om uit te vinden waarom niet. “Wil hij niet achteruit, vindt hij het moeilijk om zijn achterbenen voldoende te buigen of is hij atactisch? Dat zijn al drie verschillende redenen.” Van Lieren denkt dat het beter over de rug werken van een paard veel problemen oplost. Bijvoorbeeld ook als een paard zijn hoeven over de grond sleept bij het terugstappen. “Dat gebeurt vooral als de rug te hol is.” Ook paarden die hun hoofd in de lucht gooien en hun rug wegdrukken, moeten ronder worden ingesteld.

Niet te vaak

Schiet een paard met hoge snelheid achteruit, dan is er vaak sprake van angst. “Maak hem rustiger door slechts één pasje te vragen en dan weer naar voren te gaan. Of doe één pas opzij en dan eentje naar achteren. Probeer paniek te voorkomen.”

De beste manier om het achterwaarts te verbeteren is volgens Van Lieren het trainen van het over de rug lopen. “Als een paard dat goed kan en zijn achterbenen goed onder zijn lichaam zet, is achterwaarts gaan eigenlijk nooit een probleem. Dus oefen daarop en pak het achterwaarts af en toe mee. Als je de oefening echter te vaak doet, loop je het risico dat het paard na iedere keer halthouden gelijk achteruit stapt. Dat mag natuurlijk nooit. Hij mag pas achteruit als jij de hulp geeft, niet als hij denkt dat je het gaat vragen. Ga in dat geval vaker halthouden en laat hem wachten.”

Bron: Bit 210

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant