-

Ruimer, niet harder

Arnd Bronkhorst

Ruimer, niet harder. Wie van jullie heeft dit ook wel eens op zijn protocol staan? Het is een veelvoorkomend probleem dat paarden versnellen, in plaats van hun pas te verlengen, als verruiming wordt gevraagd. Hoe los je dat op? We vroegen het aan Friezenexpert Jenny Veenstra.

Versnellen zonder de passen ruimer te maken is niet specifiek een Friezenprobleem, geeft Jenny aan. “Dat komt bij alle rassen voor. Maar het heeft wel met aanleg te maken. Gelukkig is het trainbaar. Tot op zekere hoogte althans. Een paard dat heel kort beweegt kan je wel iets ruimer krijgen, maar daar maak je geen Valegro van.”

Hoe oud een paard moet zijn om aan het verbeteren van de verruiming te werken, vindt Jenny een lastige vraag. “Het heeft veel meer met aanleg en graad van africhting te maken, dan met leeftijd. Het ene paard kan als vierjarige best wat gewicht dragen achter, terwijl je daar met een ander paard jaren aan moet werken”.

Ze legt uit dat er een aantal voorwaarden zijn waaraan je moet voldoen om de passen ruimer te krijgen.

Nageeflijkheid

“Een paard moet echt nageeflijk zijn. Daarmee bedoel ik niet dat het hoofd op een bepaalde plaats hoort te zijn. Dat is niet genoeg. Hij moet echt afkauwen en loslaten in het nek- en kaakgewricht.” Jenny hamert hierop, omdat het nodig is voor de reactie op de halve en hele ophouding. Die komen anders niet door. “En dat is weer noodzakelijk om het gewicht naar de achterhand te verplaatsen. Als een paard zich daar meer draagt, wordt hij vrijer in de voorhand en kan hij zijn voorbenen wegzetten. Je kunt je voorstellen dat als het gewicht te veel op de voorhand ligt, zijn voorbenen de grond in lopen. Door het gewicht te verplaatsen naar achteren, kantelt de schouder meer, krijgt hij meer schoudervrijheid en krabbelt hij minder. Het zweefmoment wordt groter en de versnelling gaat eruit.” Als een paard afbuigt in de hals, wil dat niet automatisch zeggen dat hij ook zijn kaak loslaat. “Dat kun je oefenen door stelling te vragen, zonder de hals te verbuigen. Als het goed is zie je van bovenaf het ligament over de hals een soort ‘knakje’ maken.”

Aan het been

Volgens Jenny denken ruiters dat hun paard wel aan het been is, maar valt dat meestal tegen. “Ze moeten echt maximaal op een lichte hulp reageren. Ik zie ruiters daar vaak onduidelijk in zijn. Dan gaan ze de diagonaal op voor een uitgestrekte draf en maakt het paard een soort galophuppel, waarop hij meteen wordt teruggenomen, want galop was niet hun bedoeling. Dat is dus juist verkeerd. Een maximale draf ligt het dichtst bij de galop. Als een paard in galop valt en je neemt hem meteen terug, leer je hem om terughoudend te zijn. Hij blijft dan de volgende keer verder van zijn maximale draf vandaan of galoppeert nog sneller aan, omdat je hem dan toch terug neemt . Terwijl je juist wilt dat hij doortrekt.”

Gassen

Jenny wil dat ruiters een paard naar voren rijden als hij in galop valt. “Geef zelfs gas bij. Vergeet niet om daarbij de druk van de teugels af te nemen. Doe je handen naar voren in de richting van zijn oren, zodat je hem ook niet per ongeluk tegenhoudt omdat je het zelf eng vindt. Ontwikkel de voorwaartse drang. Leg hem geen limiet op. Als je dit goed aanpakt, gaat hij beter aantrekken, zet hij uit zichzelf al meer zijn achterhand eronder, want hij weet dat hij mag gaan.” Ze waarschuwt dat ruiters ook niet te vroeg moeten stoppen. “Dan krijg je paarden die er halverwege al mee ophouden. Ga dóór, door de hoek heen. Stop pas op de volgende lange zijde. Natuurlijk alleen op een goede, niet gladde bodem.”

De ophouding

Door de halve ophouding verplaats je het gewicht naar de achterhand. Maar die ophouding moet dan dus wel doorkomen. “Dat is bij sommige paarden ook een probleem. Ga je de diagonaal op, maar kan je moeilijk stoppen, dan loopt je paard op dat moment al op de voorhand. Dat los je op door vanuit de draf naar het halthouden te gaan. Rijd de diagonaal op en sta na één of twee passen stil. Het is echt: één, twee, ho! Je paard mag dan niet doordrammen, hij moet echt meteen staan. Daarmee zorg je dat hij de juiste reactie leert op een ophouding.

Doe vervolgens dezelfde oefening, maar laat los zodra je voelt dat het gewicht terugkomt voor de halt. Geef dan been bij, zodat hij wel het gewicht naar de achterhand verplaatst, maar niet tot stilstand komt. Je voelt of het gewicht naar achteren gaat doordat hij lichter wordt in je handen. Kan je niet stoppen en dramt je paard door naar de voorhand, ga dan niet alsnog proberen een uitgestrekte draf te rijden, want dat lukt niet. Dan zijn de voorwaarden niet goed om dat te doen en leer je hem dus iets verkeerds als je toch doorzet. Het is een spel. Rijd de diagonaal op, maak je paard recht en voel of de halve ophouding doorkomt. Zo ja, dan ga je door en verruim je. Zo nee, halthouden. Is hij terughoudend? Dan keihard naar voren, zo hard als je kan.”

Opbouwen

Als je paard op de juiste manier reageert op de halve ophouding en zijn achterhand eronder zet, kun je de passen verruimen. Probeer dat echter niet meteen een hele diagonaal of lange zijde vol te houden. “Daar is kracht voor nodig en die moet je langzaam opbouwen. Dat kost tijd. Hoeveel, dat verschilt per paard, van maanden tot jaren. Het is belangrijk dat je hem leert wat goed is. Dus bepaal zelf het eindpunt van de verruiming. Drie passen is eerst ook goed, als dat drie correcte passen zijn.

Stop ermee voordat het fout gaat. Doe je vijftig procent goed, maar daarna nog vijftig procent fout, dan weet jouw paard niet wat goed of fout is. Leer hem dat één manier de juiste is. Maak van drie passen vier en geleidelijk vijf en meer. Meestal vinden ze het leuk als ze het eenmaal door krijgen en aan kracht winnen. Belonen is daarom ook zo belangrijk. Dat doe je met je stem en door de druk van je been weg te nemen. Maak er een leuk spelletje van, wat hij fijn vindt om te doen.”

Bij opbouwen hoort ook dat je een paard niet overvraagt. “Ga niet door met oefenen tot het weer fout gaat. Werk aan de voorwaarden. Verruimen is het maximale van zijn kunnen. Alles wordt tot het uiterste opgerekt, de voeten maken een harde landing op de grond. Je gaat naar de limieten, dus vraag dat niet zestig keer achter elkaar. Ik zou zeggen maximaal drie keer per week een paar keer. Je bereikt meer als je die basisvoorwaarden aanscherpt. Richt je daar liever op.”

Niet op de volte

Sommige paarden die moeite hebben om de kracht op te brengen die nodig is om het gewicht meer naar achteren te verplaatsen, gaan met hun achterbenen wijd lopen als verruiming wordt gevraagd. Daarbij wordt vaak het advies gegeven het op een volte te oefenen. Maar daar is Jenny absoluut geen voorstander van. “De  meeste mensen vinden het al moeilijk genoeg om een paard goed recht te rijden op een rechte lijn, dus met de achtervoeten exact in hetzelfde spoor als de voorvoeten. Dat is op een volte nog lastiger.

Door scheef te gaan kan een paard het dragen juist ontduiken, dus oefen liever op een rechte lijn. Daar voel je zelf ook eerder of een paard scheef loopt.  Ik vind het eigenlijk vreemd dat verruimingen in sommige lagere proeven op voltes worden gevraagd. Dat is erg moeilijk voor beginners. Als je wel voltes oefent, zorg dan dat er iemand met kennis van zaken bij staat, die aangeeft of je paard correct ‘spoort’ op de lijn. En als een paard wijd gaat, rijd dan niet door, maar neem hem terug. Plaats hem eerst opnieuw op het achterbeen. Doe liever wat minder, ontwikkel de draagkracht eerst en vraag niet het uiterste qua verruiming, tot hij meer kracht heeft.”

Om een paard nog meer vanuit een dragende achterhand te leren verruimen, kun je het oefenen vanuit schouderbinnenwaarts. “Vraag vanuit de hoek op de lange zijde schouderbinnenwaarts, waarbij je het binnenachterbeen echt goed laat aantreden onder de massa. Rijd bij E of bij B de korte diagonaal op. Neem de verzameling uit de schouderbinnenwaarts mee, richt goed recht op de diagonaal en verplaats met je halve ophouding het gewicht naar de achterhand. Vraag dan enkele passen verruiming, maar alleen als de voorwaarden in orde zijn.”

In galop

Jenny legt uit dat de galopbeweging biomechanisch anders werkt dan de draf. Dat heeft gevolgen voor het verruimen. “De draf is een soort mechanische pendulebeweging die vanuit het midden van de heup komt. De galopbeweging komt meer van voren, uit de heupknobbel, waardoor de lendenen meer aanspannen. Als je in galop een paard te rond en te diep instelt, kan het achterbeen niet tot dragen komen en springt de achterhand als het ware tegen de voorhand op. In draf wil je een paard niet te hoog instellen voor de verruiming, want dan wordt de rug weggedrukt. In galop stel ik een paard wel hoger in. Blijf goed de schoft naar boven toe rijden, ook onderweg, zodat hij niet halverwege alsnog de grond in loopt.”

In galop is het eveneens belangrijk dat een paard terugkomt als jij dat wilt. Jenny adviseert na een paar passen verruiming terug te rijden. “Als een paard moeizaam terugkomt, laat hem dan eens halthouden in de hoek aan het einde van de diagonaal of lange zijde. Het is meer een mentale training. Als je daar altijd doordendert leer je ze door je hand te lopen. Als je af en toe ook halthoudt op het eind van de lange zijde, is een paard op die hulp bedacht en reageert hij beter.”

Bron: Bit 229

Foutje gespot? Meld het ons!
Dit vind je misschien ook interessant